Scharroo, Mussert en de erewoordverklaring

Op de opiniepagina's van 8, 15 en 22 mei heeft H.A. van Wijnen in een serie artikelen onder de titel "De taboes van 10 mei 1940' een pleidooi gehouden voor nader historisch onderzoek naar een mogelijk verband tussen de snelle capitulatie van het Nederlandse krijgsmacht in de meidagen van 1940 en de pro-Duitse gezindheid van een groot deel van het Nederlandse officierskorps in de jaren dertig.

Tegen de strekking van twee van die artikelen heeft het hoofd van de sectie militaire geschiedenis van de Koninklijke landmacht, drs. P.H. Kamphuis, een verweer geschreven, dat op 21 mei op de opiniepagina is gepubliceerd. Tegen dat artikel zijn verscheidene lezers in het geweer gekomen. Hieronder volgt een samenvatting daarvan en van andere brieven waarin bepaalde aspecten van de militaire voorbereiding op de oorlog worden belicht.

De kolonel der cavalerie b.d. L. de Hartog wijst op een taboe dat naar zijn mening mogelijk indirect met de in NRC Handelsblad beschreven "taboes' te maken heeft, namelijk de erewoordverklaring die de Duitsers op 14 juli 1940 aan de Nederlandse beroepsofficieren voorlegden. Deze verklaring, die de Parlementaire Enquetecommissie niet toelaatbaar achtte, werd getekend door 2000 officieren en 12.400 onderofficeren, korporaals en minderen. Slechts 56 officieren, onder wie 6 generaals, 12 cadetten en een stoker van de marine, weigerden hun handtekening te zetten en werden als gevolg daarvan in krijgsgevangenschap afgevoerd. Naar de mening van De Hartog (die in de Militaire Spectator van december 1990 een kritische beschouwing over deze kwestie heeft geschreven) is deze affaire na 1945 bij de officiersopleidingen doodgezwegen.

“Of dit massale tekenen iets te maken heeft met de door Van Wijnen gesignaleerde pro-Duitse ideeën van de Nederlandse officier, weet ik niet: het is nooit daarmee in verband gebracht. Dat deze verklaring in zo'n grote getale werd afgegeven was mijns inziens het gevolg van het feit dat in juli 1940 als vaststaand werd aangenomen dat Duitsland de oorlog zou winnen en dat het onverstandig was zich anti-Duits op te stellen”. De erewoordverklaring was volgens De Hartog onverenigbaar met de officierseed. (“Hierdoor verzeker ik op erewoord, dat ik gedurende dezen oorlog althans zoolang Nederland zich met het Duitsche Rijk in oorlogstoestand bevindt, aan geen enkel front noch direct, noch indirect zal deelnemen aan de strijd tegen Duitschland. Ik zal geen handeling begaan of verzuim plegen, waardoor het Duitsche Rijk schade van welken aard ook, zal kunnen lijden”).

“Dit aspect van de onverenigbaarheid met de officierseed is steeds onbespreekbaar gebleven. De Parlementaire Enquetecommissie (van 1947) heeft hierover geen duidelijke uitspraak willen doen. Het taboe vloeit ook voort uit de schaamte achteraf dat men in juli 1940 zo weinig vertrouwen had in de kansen van de geallieerden. Na de oorlog heeft een aantal gemeend hun handtekening te moeten motiveren met enkele bedenkelijke drogredenen, waarbij zij er niet voor terugschrokken de weigeraars te schofferen.”

De oud-parlementair journalist en ex-directeur Voorlichting van het ministerie van CRM Nol Westendorp noemt de meeste vooroorlogse officieren onder wie hij tijdens de mobilisatie van 1939 als dienstplichtig militair diende “ridders van de droevige figuur”. De officieren van zijn bataljon (jagers) blonken niet uit door krachtige leiding. Zo aanvaardde zijn commandant, “louter op het gerucht dat de Nederlandse verdediging op het vliegveld Waalhaven de strijd opgaf, de terugtocht, terwijl in werkelijkheid enkele secties nog moedig weerstand boden”. Een van de andere commandanten van de Jagers brak op 11 mei 1940 zijn knie toen hij in zijn enthousiasme om de eerste Franse troepen in de buurt van Tilburg te begroeten uit zijn auto stapte. Voor hem was de oorlog al na twee dagen voorbij. “Voor zover mijn ervaringen reiken, is mijn indruk dat alle officieren handjeplak speelden en na de oorlog verklaringen over hun handelen tijdens de meidagen van 1940 hebben afgelegd die op gespannen voet met de waarheid stonden.”

De oud-journalist Coen van Hoewijk (ex-NTS-journaal en oud-directeur Voorlichting van het ministerie van Sociale Zaken en Volksgezondheid) memoreert dat hij in 1938 in de huiskamer van de commandant van de Frederik Hendrikkazerne te Vught, de overste H. van der Bijl enkele exemplaren van het blad van de NSB, "Volk en Vaderland', uitgestald zag. “Ook in zijn uitlatingen was de man uitgesproken pro NSB. Ik begreep daar als jongen van vijftien niets van, dat zo'n hoge militair daar zo voor uitkwam.”

De heer J.A. Imhoff, oud-hoofddocent Engels HBO, schrijft over zijn ervaring met dezelfde overste Van der Bijl. Deze briefschrijver herinnert zich dat Van der Bijl op 16 mei 1940 met drie Duitse officieren een bezoek bracht aan zijn gezin in Den Bosch. “Zeer korte tijd daarna kwam hij definitief thuis. Hij ontpopte zich al spoedig als een fanatieke NSB-er, die later o.a. een topfunctie bij de Winterhulp bekleedde.” Hij behoorde tot de Nederlandse legerofficieren “die niet werkelijk hebben deelgenomen aan of leiding hebben gegeven bij de strijd tegen de Duitse invallers”.

De voormalig reserve eerste luitenant der Genie, ir. E.A.H. van Trigt kritiseert de voorstelling van zaken die de historicus P.H. Kamphuis, hoofd van de sectie Militaire Geschiedenis van de Koninklijke Landmacht, op de opiniepagina van 21 mei over de verdediging van Rotterdam in mei 1940 heeft gegeven. Van Trigt betwist dat de Rotterdamse garnizoenscommandant kolonel P.W. Scharroo erin slaagde de Duitse opmars in Rotterdam tot staan te brengen, zoals Kamphuis op de opiniepagina betoogde. “Ik ben getuige geweest dat kolonel Scharroo in de vroege ochtend van 10 mei 1940 zijn hoofdkwartier heeft verlaten en zich heeft opgehouden daarna in de kantoren van de Speciale Diensten der Genie aan de Statenweg hoek Statensingel in Rotterdam. De bevelvoering is overgenomen door de kapitein der Genie J.D. Backer. Met hem heb ik in die dagen veel contact gehad, daar ik aan enkele acties heb deelgenomen. Ook de mededeling van Kamphuis dat de Duitse commandanten om het luchtbombardement hebben gevraagd is zeer twijfelachtig. Ik ben verbindingsofficier geweest tussen kolonel Scharroo en de Duitse commandant Oberst Klemm. Deze heeft mij meegedeeld dat hij het bombardement een misdaad vond en militair overbodig. Het was om politieke redenen gebeurd om Nederland "ein zu schüchtern'. De feitelijke onderhandelingen zijn gevoerd door Backer, niet door Scharroo.”

De Rotterdamse jurist Manuel Kneepkens, docent aan de Erasmus Universiteit, noemt het boek van Kamphuis (en anderen) waarin de militaire gebeurtenissen van mei 1940 zijn beschreven een "goedpratende' officiële geschiedenis waarin het bombardement op 14 mei 1940 “wordt behandeld zonder enige kennis van of toetsing aan het oorlogsrecht”. Kneepkens heeft het bombardement in dat kader beschreven in een vorige maand gepubliceerd boek "In het Rijk van de Demomen - het bombardement van mei 1940' (Uitg. Ad Donker bv).

Prof. ir. C. van den Berg (Enschede) geeft een andere lezing van de omstandigheden waarin de kantonnementscommandant van Dordrecht, de overste J.A. Mussert (broer van de NSB-leider) in de meidagen van 1940 om het leven is gekomen. Volgens de lezing in het boek van Kamphuis (e.a.) werd Mussert op 14 mei 1940 te Sliedrecht doodgeschoten door “de overspannen res. lste luitenant van het 2de Regiment Wielrijders A.J. Kruithof () wegens ondeskundig optreden en de verdachte naam Mussert”. Volgens prof. Van den Berg heeft het zich anders toegedragen. “Kruithof was samen met de kapitein A.J. Blom, vakcommandant van Sliedrecht, naar de overste Mussert gegaan om hem te arresteren, omdat het vreemde gedrag van de overste tijdens de meidagen bij een aantal officieren grote ongerustheid had veroorzaakt. Toen de overste tijdens de confrontatie met de beide officieren een onverhoedse beweging naar zijn revolvertas maakte, loste de luitenant Kruithof vier schoten. Enkele uren later overleed Mussert na een spoedoperatie in het militaire hospitaal van Gorinchem”.

De heer W. Vlietstra uit Den Haag attendeert op een "vergeten' figuur uit de militaire bevelsstructuur van Rotterdam, op wie het door Van Wijnen bepleite hernieuwd onderzoek naar de pro-Duitse gezindheid van de vooroorlogse Nederlande officieren zich naar zijn mening in de eerste plaats zou moeten richten. “In Van Wijnens beschouwingen is één figuur angstvallig buiten schot gebleven, namelijk de commandant van de vechttroepen der luchtverdediging, de luitenant-generaal Nauta Pieter. Deze heeft het bestaan om in de noodlotsuren van Rotterdam een absoluut vuurverbod af te kondigen nadat Waalhaven eenmaal in Duitse handen was gevallen. Onderdelen die, bijvoorbeeld uit Vlaardingen, wilden oprukken naar Rotterdam om die stad te hulp te komen, werd zulks door hem verboden.” Een dergelijk optreden wekt volgens deze inzender “inderdaad argwaan” en verdient mede in het onderzoek naar het gedrag van de commandanten Scharroo en Mussert betrokken te worden.