Rode spoordijken

Voor het eerst in honderd jaar leggen de Nederlandse Spoorwegen op het oude land van Nederland weer nieuwe spoorlijnen aan. Als onderdeel van het plan Rail '21 vindt een ongekende spoorverdubbeling plaats en worden op de meest onverwachte plaatsen nieuwe stations geopend. Het aantal stations langs de lijn Amsterdam-Gouda-Rotterdam is deze winter met wel twintig procent toegenomen en de treinreis door Hollands groene hart heeft inmiddels de allure van een interlokale tramrit.

Is het geploeter van de NS in de zandige bermen van hun oude lijnen sowieso een lust voor het oog (de vernietiging van al die aardige slootkanten daargelaten), dit voorjaar levert het de treinreiziger een schouwspel op dat gewoonlijk alleen wordt gadegeslagen door automobilisten - die bijna per definitie over nieuwe wegen rijden. Dezer dagen is langs de spoorlijn een veelheid aan klaprozen tot bloei gekomen die alleen hoogbejaarden zich weten te herinneren.

NS laat duizend bloemen bloeien! De NS-voorlichting deelt mee dat de klaprozen er geheel op eigen kracht zijn gekomen. ""Het hangt samen met het grondverzet, we zien dat altijd als ergens aan het spoor gewerkt wordt.'' De NS hebben weliswaar een landschapsarchitect in dienst maar die onthoudt zich van zaaiadviezen. Niet dat gerotzooi met gekweekte wilde bloemen dat zo karakteristiek is voor wethouders die milieuvriendelijk uit de hoek willen komen.

De onvoorspelbare, spontane en massale groei en bloei van de klaproos, droevig genoeg het best bekend van de slagvelden van Noord-Frankrijk - is daar inmiddels een behoorlijke verklaring voor? Wat hééft de klaproos toch met bomtrechters, grondverzet en in het algemeen: verstoring van de bodem? Waar komt dat zaad vandaan waaruit al die rozen ontspringen?

Het Rijksherbarium in Leiden suggereert het zojuist verschenen "Plantengemeenschappen van Nederlandse wegbermen' te raadplegen, maar in de boekhandel blijkt het belendende "Handboek onkruidkunde' (Pudoc Wageningen, 1990) een betere bron. De meeste vragen worden al op de eerste bladzijden beantwoord en wat co-auteur B.J. Post er mondeling aan toevoegt stond goedbeschouwd wat verderop in zijn tekst.

In onze omgeving en bij de huidige teeltsystemen komen nauwelijks onkruidsoorten voor die worden verspreid door wind of dieren, schrijft het handboek. Het grootste deel van de "zaadvoorraad' in de "bouwvoor' bestaat uit zaden die ter plekke zijn geproduceerd.

En voor het eenjarige onkruid "gewone klaproos' (Papaver rhoeas) geldt dat zeker, zegt Post. Het zaad van klaproos valt maar decimeters, hooguit een paar meter van de plant. Dat betekent dat klaprozen altijd ontkiemen uit zaad dat al lang in de grond aanwezig was. Veel plantezaden blijken hun kiemkracht extreem lang te kunnen bewaren, zelfs in vochtige grond. Voor klaproos wordt veertig tot vijftig jaar genoemd en voor melganzevoet wel honderd jaar.

Dat is één: niet aflatende kiemkracht. Twee: het licht. ""Zaden van een overgrote meerderheid van enkele duizenden onderzochte soorten hebben licht nodig voor hun kieming.'' Het verraderlijke is dat men dat het zaad niet aanziet, de buitenkant van de zaden, die wel zaadhuid of zo zal heten, maakt meestal een wat verdroogde, weinig levenskrachtige indruk. Toch is de directe invloed van (rood en ver-rood) licht op de ontkieming van slazaden een vast onderdeel van elk biologie-praktikum.

Klaprooszaad blijft ondergronds decennia goed en kiemt pas als het na grondverzet in het licht wordt gebracht. Maar tegelijk geldt dit voor zóveel andere plantesoorten dat men er weinig mee opschiet. Kennelijk zijn de wat rauwe groeicondities op de kale, onbeschutte bodem (droog, felle in- en uitstraling, flinke temperatuurschommeling) voor de klaproos wat minder groeiremmend dan voor de meeste andere planten. Het onderzoek daarnaar zou niet al te lastig zijn als de klaproos steeds in vaste combinatie met andere plantesoorten in de berm zou opduiken, maar dat is, zegt botanicus T.A.H.M. Pelsma, co-auteur van het genoemde "Plantengemeenschappen enz.' (KNNV, 1993) niet het geval. ""Daarvoor is het een te onbestendige verschijning.'' In de ruim 2500 vegetatie-opnamen van wegbermen die voor het boek werden uitgewerkt is maar vier maal klaproos aangetroffen. Buiten de bermen lag dat vroeger anders, daar was de klaproos in sociologisch opzicht een onderdeel van de "klasse graanvruchtakkers'. Want de klaproos was van oudsher vooral een akkeronkruid.

Zo is het probleem ook om te draaien. Waarom is de klaproos van de meeste akkers verdwenen? Een complex van factoren speelt daarin een rol, onderwijst Post. Een heel belangrijk aspect is het gewijzigde systeem van vruchtwisseling: vroeger bevatte de rotatie meer wintergewassen (die in het najaar gezaaid worden). Klaproos zelf kiemt ook bij voorkeur in het najaar. Winterrogge, het typische domein van de klaproos, is vrijwel verdwenen en de moderne wintertarwe is een veel krachtiger voedsel- en lichtconcurrent van het kleine roosje.

Bovendien zijn de akkers over het algemeen voedselrijker en - dankzij kalk - minder zuur geworden, dat heeft ook een rol gespeeld.

Wageningers, en NS-ers, raken niet makkelijk spontaan aan de praat over herbiciden. Maar alla: ook die hebben zeker hun tol geëist, al blijkt het achterwege laten van de bespuitingen de klaproos niet direct terug te brengen. Misschien is het herbicide-effect toch erg beperkt: wie goed oplet ziet de klaprozen langs de spoorlijn bloeien in de schaduw van vergelend gewas dat door NS-bespuitingen het leven liet. Maar dat kan ook komen doordat we tegenwoordig beter mikken, zegt de woordvoerder. ""We spuiten handmatig want de sproeitrein rijdt niet meer.''

    • Karel Knip