Rechter: sociale wetten tegen de wet uitgevoerd

DEN HAAG, 10 JUNI. De bedrijfsverenigingen voeren de sociale wetten nog steeds contra legem uit, dus in strijd met de wet. Dit zei het lid van de Centale Raad van Beroep G.A.J. van den Hurk vanmorgen als getuige voor de parlementaire enquête naar de uitvoering van de sociale verzekeringen. De Centrale Raad van Beroep is in de sociale zekerheid de hoogste rechter.

Van den Hurk noemde twee voorbeelden. De Centrale Raad van Beroep besliste ooit dat het onrechtmatig is om puur op basis van het verstrijken van de wachttijd iemand van wie de gegevens incompleet zijn toch maar een uitkering te geven. Een circulaire van de Federatie van Bedrijfsverenigingen beveelt niettemin aan om in zo'n geval toch positief over het verstrekken van een uitkering te beslissen.

Commissievoorzitter J.F. Buurmeijer (PvdA) maakte hieruit op dat de rechter in dit geval “niet effectief” was.

Het tweede voorbeeld van Van den Hurk betrof de verdiscontering in de WAO, dat is het verstrekken van een volledige WAO-uitkering aan mensen die eigenlijk slechts recht hebben op een gedeeltelijke uitkering. De wet bood die mogelijkheid, maar daar werd volgens een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van juli 1972 veel te ruim gebruik van gemaakt.

De bewijslast werd omgekeerd: volgens de wet mocht aan gedeeltelijk arbeidsongeschikten die absoluut geen deeltijdbaan konden krijgen een volledige WAO-uitkering worden verstrekt. In de uitvoeringspraktijk, bevestigd in een circulaire van de Federatie van Bedrijfsverenigingen van mei 1973, werd een volledige uitkering verstrekt, tenzij iemand een baan had.

Van den Hurk: “Er lag dus een dwingende rechterlijke bepaling. Maar die uitleg van de wet is door de bedrijfsverenigingen nooit geëerbiedigd.” Na enig aandringen van het commissielid V.A.M. van der Burg (CDA) erkende hij dat de praktijk “in strijd met de wet” was. En dat is ook na 1987, toen de mogelijkheid tot verdiscontering uit de wet werd geschrapt, nog steeds zo. Van den Hurk wees erop dat "bestaande' WAO-ers ouder dan 35 jaar niet zijn herkeurd.

F.M. Noordam, plaatsvervangend lid van de Centrale Raad van Beroep en onafhankelijk lid van de Sociale Verzekeringsraad, stelde dat het “redelijk veel voorkwam dat de uitvoering door de bedrijfsvereniging in strijd met de wet was. Hij noemde naast de verdiscontering het voorbeeld van de nieuwe Werkloosheidswet van 1987, die op sommige punten in de praktijk onuitvoerbaar bleek. “Het is begrijpelijk maar ook zeer betreurenswaardig”, aldus Noordam.

Volgens het bestuurslid A.J. de Geus van het Christelijk Nationaal Vakverbond, die vanmiddag getuigde, blijkt het “moeilijker dan gedacht” om het najaarsakkoord van oktober 1990, over een beperking van het beroep op de Ziektewet en de WAO, in de praktijk om te zetten. Het kost volgens De Geus “de nodige moeite” om geschikte beleidsinstrumenten te vinden. Dat probleem speelt als besturen van bedrijfsverenigingen hun administratie de opdracht willen geven om het beroep op uitkeringen te beperken.

W. Boersma, topman van de Gemeenschappelijke Medische Dienst die vorige week werd verhoord, heeft een brief aan de enquêtecommissie geschreven. Hierin stelt hij dat in de jaren tachtig ook in Alkmaar een “weloverwogen, efficiënt en verantwoord” beleid gevoerd. In zijn verhoor werd Boersma door de commissie onverwachts geconfronteerd met een brief van de GMD-districtsmanager in Alkmaar van 14 februari 1986. De commissie vroeg, op basis van deze brief, of Boersma wist dat in Alkmaar zieke werknemers onder de 45 jaar stelselmatig niet werden gekeurd, maar “op de stukken” werden afgehandeld, dat wil zeggen in de WAO geplaatst. Boersma ontkent dit, nu hij de brief helemaal heeft gelezen, ten stelligste.