Onze toekomstige monetaire experts

European monetary integration and the financial sector. Sylvester C.W. Eijffinger and Johan L. Gerards (editors); Nederlands instituut voor het bank- en effectenbedrijf, Amsterdam 1993. ISBN 90-5516-004-0

Terwijl de Europese Gemeenschap zich met vallen en opstaan voorbereidt op de Economische en Monetaire Unie, dient zich in Nederland een nieuwe generatie monetaire deskundigen aan. Hun academische vorming viel veelal samen met het begin van het Europese Monetaire Stelsel en ze begonnen hun carrière toen de onderhandelingen over de Economische en Monetaire Unie (EMU) eind jaren tachtig op gang kwamen. Ze zijn werkzaam op universiteiten, bij het ministerie van financiën, bij De Nederlandsche Bank, de Europese Commissie of op de onderzoeksafdelingen van banken en institutionele beleggers. Ze vormen de monetaire deskundigen die leidinggevende posities zullen innemen tegen het einde van de eeuw als een kerngroep van EG-landen, waaronder Nederland, zich vermoedelijk opmaakt voor de overgang naar één munt.

Het is daarom van belang kennis te nemen van hun opvattingen ten aanzien van de monetaire integratie in de EG en in het bijzonder van de Nederlandse invalshoek in dat proces. De studie European monetary integration and the financial sector biedt daartoe de gelegenheid. Het is een bundel artikelen over uiteenlopende monetaire onderwerpen plus een inleiding geschreven door de samenstellers van het boek, Sylvester Eijffinger (Katholieke Universiteit Brabant) en Johan Gerards (Nederlands instituut voor het bank- en effectenbedrijf). In acht hoofdstukken worden de gevolgen van de Europese monetaire integratie, culminerend in de monetaire unie, behandeld voor het overheidsbeleid, het monetaire beleid, voor banken, beleggingsfondsen, pensioenfondsen en voor verzekeraars. Het boek is, zoals ING-bestuurder en voormalig thesaurier-generaal Cees Maas in zijn inleiding schrijft, “een welkome eerste bijdrage (over EMU) voor allen die beroepsmatig betrokken zijn bij de Nederlandse financiële sector”.

Opvallend is de afwezigheid van dissidenten. De auteurs zijn direct of indirect betrokken bij het Nederlandse EMU-beleid en kritische kanttekeningen bij de monetaire integratie in Europa ontbreken. De bijdragen zijn goed gedocumenteerd en informatief maar weinig verrassend. Geen van de schrijvers waagt zich aan een aanval op de Economische en Monetaire Unie. Kritische analyses van EMU, zoals in Duitsland, Frankrijk, Groot-Brittannië of de Verenigde Staten met grote regelmaat gepubliceerd worden, zijn in deze bundel niet vertengewoordigd. De nieuwe generatie monetaire deskundigen volgt het spoor van de gevestigde nationale autoriteiten op dit gebied.

De bundel bevat wel een aantal interessante observaties. Zo berekent Alexander Italiaander (Europese Commissie) in zijn bijdrage over de economische gevolgen van het Verdrag van Maastricht dat het deflatoire effect van de criteria voor deelname aan de EMU vermoedelijk geneutraliseerd wordt door voordelen van een gemeenschappelijke munt zoals afwezigheid van wisselkosten en van koersfluctuaties. “De micro-economische besparingen van één munt wegen ruimschoots op tegen de (macro-economische) tijdelijke daling van het bruto nationale produkt”, meent hij.

Het hoofdstuk over het Nederlandse begrotingsbeleid van Jeroen Kremers en Raymond Gradus (beiden ministerie van financiën) bevestigt de noodzaak voor de Nederlandse politiek om ook na 1994 voort te gaan met vermindering van het financieringstekort om de omvang van de staatsschuld in de richting van de EMU-criteria te brengen. Bovendien stellen ze, evenals Lex Hoogduin en Gerard Korteweg (beiden Nederlandsche Bank) vast dat in 1994 een aantal Nederlandse regels over financiering van de schatkist aangepast moet worden. De overeenkomst die het ministerie van financiën in staat stelt tijdelijk krediet op te nemen bij De Nederlandsche Bank, die vorig jaar nog intensief werd gebruikt, is volgens het verdrag van Maastricht in de tweede fase van de EMU verboden. Ook de verplichte voorinschrijving van het ABP op staatsleningen is vanaf 1994 niet langer toegestaan.

Uit de hoofdstukken over de gevolgen van de monetaire integratie voor de financiële sector blijkt dat de Nederlandse financiële instellingen en institutionele beleggers (pensioenfondsen en verzekeraars) met vertrouwen de monetaire eenwording tegemoet kunnen zien. De ervaring met de EMS-crisis van september 1992 heeft evenwel geleerd voorzichtig te zijn met optimisme over een vloeiende overgang naar een monetaire unie. De auteurs afkomstig van financiële instellingen verwachten de komende jaren dan ook nog aanzienlijke turbulenties.