Onder vrouwen grote toename aantallen genfecteerden; WHO bepleit virusdoder tegen aids

BERLIJN, 10 JUNI. De belangrijkste opdracht voor de farmaceutische industrie bij de bestrijding van aids is een veilig en effectief virusdodend middel (viricide) te ontwikkelen dat vrouwen vaginaal kunnen inbrengen. Dat verdient prioriteit boven het vinden van nieuwe antivirale middelen, die het virus niet zozeer doden als wel de groei belemmeren. Dit zei de Nederlander dr. J. Lange gisteren op de negende internationale conferentie over aids, die deze week in Berlijn wordt gehouden. Lange is hoofd van de afdeling geneesmiddelenontwikkeling bij het aidsprogramma van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) in Genève.

Met een effectief viricide kan wereldwijd een halt worden toegeroepen aan de overdracht van het virus door genfecteerde mannen op vrouwen. Volgens schattingen van de WHO is driekwart van de dertien miljoen seropositieven genfecteerd door onbeschermd heteroseksueel verkeer. Van elke elf nieuwe infecties treffen er vijf een vrouw. Ook in de gendustrialiseerde wereld neemt het percentage van infecties door heteroseksueel verkeer sterk toe. Een aantal Schotse onderzoeken laat bijvoorbeeld zien dat in steden daar één op de drie nieuwe infecties te wijten is aan onbeschermde gemeenschap tussen mannen en vrouwen.

Op het gebied van geneesmiddelen tegen aids is Zidovudine nog altijd het belangrijkste. Zidovudine is een antiviraal middel en remt de aanmaak van een enzym (reverse transcriptase) dat het virus nodig heeft om zich te vermenigvuldigen. De stof kan het best worden gegeven aan genfecteerden die symptomen van aids beginnen te vertonen. Zidovudine werkt volgens Lange beter dan ddC en ddI, andere moleculen die de aanmaak van hetzelfde enzym remmen.

Op de conferentie presenteerde professor dr. M. Seligmann van het Hospital Saint-Louis in Parijs de uiteindelijke resultaten van de zogenoemde Frans-Britse Concorde-studie naar de werkzaamheid van Zidovudine bij seropositieven die geen ziekteverschijnselen hebben. Het onderzoek heeft drie jaar geduurd. De resultaten van het gigantische onderzoek onder enkele duizenden seropositieven heeft uitgewezen dat het vroegtijdig geven van het middel geen zin heeft.

De komst van nieuwe geneesmiddelen laat nog op zich wachten. Enige hoop biedt wel 3TC (thiacytidine), dat hetzelfde doet als Zidovudine. De patiënt verdraagt de stof echter buitengewoon goed. Zidovudine veroorzaakt bij een aantal patiënten bloedarmoede en soms zijn transfusies nodig. Een andere stof, Nevirapine, zou ook van betekenis kunnen worden, maar daar moet nog veel onderzoek naar worden gedaan, meent Lange.

De Amerikaanse retroviroloog dr. Robert C. Gallo lanceerde een aantal nieuwe aangrijpingspunten om een geneesmiddel tegen aids te ontwikkelen. Gallo is ontdekker van de groep van retrovirussen, waartoe ook HIV behoort. Volgens Gallo zou het onschadelijke humane herpes virus 7 (HHV-7) mogelijkheden in zich hebben om de strijd tegen aids aan te binden.

De eigenschappen van het onschuldige herpesvirus zijn door Gallo's eigen laboratorium van de National Institutes of Health in het Amerikaanse Bethesda beschreven. Volgens Gallo zou het virus een nieuwe therapie in het vooruitzicht kunnen stellen, waarbij een virus een ander virus bestrijdt.

HHV-7 heeft de eigenschap de cel binnen te dringen via het zelfde "sleutelgat' - de receptor - als het aidsvirus (HIV). Gallo en zijn collega Lusso proberen nu het eiwit - de sleutel, die voor toegang moet zorgen tot de cel - dat op de buitenkant van de cel van dit herpesvirus ligt, te synthetiseren. Pas als dat is gelukt kan worden vastgesteld of dat eiwit in staat is toegang van HIV tot de menselijke cel te belemmeren. Een voorwaarde is immers dat dit eiwit niet door HIV van de receptor wordt verdrongen. De affiniteit van het HHV-7 eiwit tot de receptor, "de magnetische kracht', moet dus groter zijn dan die van het HIV. Maar ook als dat zo zou blijken te zijn, rest de vraag hoe en wanneer dat eiwit in de bloedbaan moet worden gebracht en wat voor schade het eventueel elders in het lichaam verricht.

Andere, wellicht veelbelovende methoden om aids te bestrijden zijn volgens Gallo "gentherapie' en "antisense'. Bij gentherapie worden stamcellen uit het beenmerg verzameld en buiten het lichaam voorzien van een ontbrekend gen dat een afwijking veroorzaakt. In het geval van aids moet het DNA van de stamcellen zodanig worden gemanipuleerd dat ze het virus veel krachtiger aanpakken dan de cellen die de patiënt van nature heeft. De eerste experimenten verwacht Gallo nog dit jaar.

Antisense is iets anders dan het inbrengen van een nieuwe, sterkere variant van een gen. Bij antisense wordt de overdracht van genetische informatie in de genfecteerde cel onderbroken. Genen bestaan uit rijen van aan elkaar gekoppelde basen, die een bepaalde volgorde hebben. Die base-volgorde bevat in één richting gelezen de code voor het aanmaken van eiwitten, die nodig zijn voor de levenscyclus van de cel. Dit is de zogeheten sense-sequentie. Aangezien DNA altijd dubbelstrengig met een complementaire code voorkomt, bevat de andere streng een niet-afleesbare anti-sense code.

Om er voor te zorgen dat een cel waarin zich het virus heeft genesteld zich niet meer kan vermenigvuldigen zou het verantwoordelijke gen kunnen worden afgeplakt met een stukje DNA waarin de base-paren in omgekeerde volgorde liggen.

Professor Buck dacht ooit beroemd te worden met de anti-sense-methode, maar zijn materiaal bleek niet stabiel. Stukjes anti-sense DNA hoeven echter niet van buiten het lichaam te worden ingebracht. De cel kan ze zelf maken, als hij daar een speciaal gen voor heeft. Op deze manier zijn muizen in experimenten al immuun gemaakt voor het virus dat leukemie veroorzaakt.

Of beide technieken ooit van betekenis zullen zijn voor aids blijft ook volgens Gallo een vraag. Ze zijn duur en omslachtig, terwijl de WHO juist heeft voorgerekend dat er nu wereldwijd dertien miljoen mensen zijn genfecteerd, dat die mensen veelal arm zijn en dat hun aantal tegen de eeuwwisseling verdrievoudigd zal zijn.