HET NAARDERMEER

Grote delen van Nederland zijn ingepolderd. Polders en droogmakerijen vormen ruim 8% van de totale oppervlakte. De drooggelegde delen bestaan vooral uit natuurlijke meren, diepe putten ontstaan door dijkdoorbraken (wielen) of plassen die een gevolg zijn van veenafgraving. In totaal zijn er 445 droogmakerijen geweest.

Een fiasco, maar geen catastrofe; de mislukte droogmaking van het Naardermeer en de familie Rutgers van Rozenburg, in: Van Amsterdam naar Tilburg, Uitgeverij Nijhoff, Leiden/Antwerpen, 1992.

De Zeeweringen en Waterschappen van Noordholland, D. Kooiman, Uitgeverij Samsom, Alphen a/d Rijn, 1936.

De West-Nederlandse Veenplassen en Het Naardermeer, Dr. E.M. van Zinderen-Bakker, Uitgeverij Allert de Lange, Amdsterdam, 1947/1942.

Het ging niet altijd voorspoedig en een aantal droogmakingen zijn mislukt, zoals het Naardermeer en polder de Koekoek (in de buurt van Kampen). Bij de Mijdrechtse polder lukte het vorige eeuw pas na veertig jaar om hem droog te leggen. Een recent voorbeeld is de Markerwaard: er ligt een dijk dwars door het IJsselmeeer, maar de regering heeft besloten het gebied niet in te polderen.

Bij het Naardermeer (700 ha) zijn meerdere pogingen ondernomen. De eerste vindt plaats in 1623. Het is onderdeel van een groter plan, dat ook Bijlmer- en Diemermeer omvat. Drie jaar later is het meer met behulp van molens ingepolderd, maar bijna direct daarna wordt het gewonnen land weer onder water gezet in verband met de Tachtigjarige Oorlog.

D. Kooiman schrijft in 1936: "... toen deed Anthony Oetgens, burgemeester van Amsterdam, in den zomer van dat jaar de zes bruggen over de ringvaart afbreken, de dijk doorsteken en den polder volloopen, om den vijand, die destijds op de Veluwe was, te stuiten en te beletten over de Vecht te komen.'

Aan het begin van de 19de eeuw wordt een nieuwe poging ondernomen, maar door vervening en ruzie onder de eigenaren wordt slechts een klein deel drooggelegd. Bij het volgende initiatief, tegen het einde van de vorige eeuw, worden stoommachines ingezet door jonkheer mr. J.W.H. Rutgers van Roozenburg. Eerder, in 1864, legde hij het Lutkemeer bij Sloten droog. Hij is directeur van de Amsterdamse Kanaalmaatschappij, die het Noordzeekanaal aanlegt en exploiteert, en in 1869 wordt hij liberaal lid van de Tweede Kamer.

Het motief om het Naardermeer droog te leggen is zakelijk: vruchtbare landbouwgrond winnen voor enkele vermogende families die eigenaar van het meer zijn. De ouders van jonkheer Jan hebben vanaf 1840 steeds meer participaties in het Naardermeer opgekocht. Uiteindelijk is rond 1870 19/24 deel hun eigendom. De rest is van twee andere families.

De jonkheer wil het Naardermeer droogleggen met twee stoommachines. Begin 1884 is dit met een deel van het meer gelukt. Er wordt koolzaad geplant en later ook gras voor het houden van lammeren. Het overtollige gras wordt verkocht, maar de prijs valt tegen. In andere delen van de polder mislukt de oogst van haver, gerst en koolzaad vanwege onvruchtbaar land en te hoge waterstanden. Kwelwater (terugsijpelend en opkomend grondwater) zorgt voor de grootste problemen bij de drooglegging. Dr. E.M. Van Zinderen-Bakker in "De West-Nederlandse Veenplassen': "Fossiel, zout water werd vooral bij hooge standen van de Zuiderzee uit den ondergrond omhoog gedreven.' Zelfs bij droog weer moet één stoomwerktuig van 25 pk voortdurend in bedrijf zijn om het kwelwater weer af te voeren. Dit wordt nog erger wanneer er tochten en sloten in de polder werden gegraven. Er moet dagelijks 65.000 m water worden weggepompt.

De bemalingskosten worden berekend op 13.000 gulden per jaar. Bovendien zijn er ongunstige ervaringen opgedaan met het omspitten van 150 ha land, wat 76.000 gulden heeft gekost. Er moeten boerderijen komen, maar de eigenaren betwijfelen of het wel verantwoord is het avontuur voort te zetten. Ze durfen zo'n investering niet aan, waarschijnlijk ook vanwege de agrarische depressie.

In 1886 willen de eigenaren de polder veilen in het Amsterdamse Frascati. Er wordt echter zo weinig geboden, dat het aantrekkelijker is hem weer onder water te zetten en de opbrengst van jacht, visserij, riet en eendenkooien te incasseren.

De bemaling wordt in oktober 1886 stopgezet en twee en een halve maand later is het Naardermeer in oude glorie hersteld. Historicus J.A. Faber in "Van Antwerpen tot Tilburg': "De droogmaking was op een fiasco uitgelopen, en de oorzaak daarvan was de overlast die van de kwel werd ondervonden. De bestrijding daarvan was technisch nog wel haalbaar, maar economisch niet. ... De mislukking is de eigenaren op een verlies van 2 1/2 ton gouds komen te staan.'

En Jac. P. Thijsse in 1942: "...een mislukking die veel voldoening gaf aan de destijds nog weinigen, die het Meer kenden als woonplaats van zeldzame lepelaars en purperreigers.'

Het Naardermeer wordt uiteindelijk in 1906 als eerste grote gebied aangekocht door de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Ze koopt het van de familie Rutgers van Roozenburg voor 153.000 gulden. Twee jaar eerder heeft de gemeenteraad van Amsterdam een plan afgestemd om het als vuilstortplaats voor de hoofdstad te bestemmen (veel later zou de Vogelmeerpolder wel die functie krijgen).

Prof.dr.ir. E. Schulz (Rijkswaterstaat), auteur van "Waterbeheersing van de Nederlandse droogmakerijen': "Vanwege de kwelproblematiek is afgezien van droogmaking van enkele polders; zoals begin deze eeuw vlakbij het Naardermeer de Maarseveense- en Loosdrechtse plassen. Ik denk dat het ook nu nog niet rendabel is om het Naardermeer in te polderen. De Koekoek, die wel is drooggelegd, is alleen rendabel omdat er kassen in staan en de Bethune omdat hij door Amsterdam wordt gebruikt voor de drinkwatervoorziening, maar er zijn plannen om deze polder weer onder water te zetten. Dat is ook het geval met andere polders die ze nauwelijks droog kunnen houden. Onlangs is de Foppenpolder bij Rotterdam onder water gezet en in Groningen zijn plannen om een aantal polders onder water te zetten voor recreatie-doeleinden.'

Recreanten beseffen nu waarschijnlijk niet dat het Naardermeer al twee keer is drooggelegd en dat er vroeger lammetjes hebben gegraasd. Maar vanuit de lucht zijn in het water nog steeds de tochten en sloten te zien die in de vorige eeuw werden gegraven.