Erfenis kabinet-Lubbers: gat van drie miljard

Het derde kabinet-Lubbers vond bij zijn aantreden een - zoals dat in politiek jargon heet - "lijk in de kast': een gat in de begroting als erfenis van het vorige kabinet. In dit geval was het financieringstekort in de laatste begroting die het tweede kabinet-Lubbers had ingediend kunstmatig laag gehouden door ruim 5 miljard gulden aan incidentele maatregelen. Het huidige kabinet Lubbers-Kok werd al snel gedwongen die te vervangen door blijvende bezuinigingsmaatregelen.

Dit kabinet laat voor zijn opvolger in 1994 echter ook geen schone lei achter. Het pakket maatregelen waartoe het kabinet het afgelopen voorjaar heeft besloten leidt ertoe dat een nieuw kabinet eerst een financieel probleem van minstens 3 miljard gulden moet oplossen voor het kan toekomen aan de oplossing van de eigen financiële problemen als gevolg van nieuwe wensen (bij voorbeeld lager financieringstekort, belastingverlaging, hogere uitgaven) of economische ontwikkelingen. Voor alle programmacommissies van de politieke partijen die nu met het oog op de verkiezingsprogramma's zitten te cijferen iets om in de gaten te houden.

Eind april besliste het zittende kabinet tot een bezuinigingspakket van 8 miljard gulden in 1994 dat in omvang zou oplopen naar 9,2 miljard in 1997. Het pakket bevat voor 1994 slechts 4,2 miljard aan structurele bezuinigingsmaatregelen. Ieder jaar zal het gedeelte blijvende bezuinigingen moeten groeien tot in 1997 het gehele bezuinigingsbedrag van 9,2 miljard uit structurele maatregelen bestaat.

Premier Lubbers meldde bij de presentatie tevreden dat de nieuwe bezuinigingsronde van de begroting 1994 “de strengste begroting sinds de Tweede Wereldoorlog” zou maken. Hij doelde op het feit dat de totale bruto rijksuitgaven reëel (de prijsstijging buiten beschouwing gelaten) zullen dalen met 2,1 procent. Allereerst is het een misvatting dat het in 1994 om “de strengste” begroting zou gaan. Tussen de Tweede Wereldoorlog en 1952 was het begrotingsbeleid heel wat strenger. Ter vergelijking: van 1951 op 1952 daalde het bedrag aan bruto rijksuitgaven met reëel ruim 8 procent. Bovendien was er in plaats van een financieringstekort een financieringsoverschot, dat nog steeg van 2,7 naar 4,3 procent van het nationale inkomen.

Maar zelfs al zou Lubbers met zijn typering van 1994 gelijk hebben gehad dan nog zou dat voor een nieuw kabinet een schrale troost zijn. Het voor-jaarspakket bevat voor de jaren na 1994 zoveel losse einden dat een nieuw kabinet handen vol werk heeft om deze erfenis te verwerken.

Er zou niets aan de hand zijn wanneer het huidige kabinet dit jaar en volgend jaar alle maatregelen in uitvoering zou nemen die uiteindelijk in 1997 blijvend 9,2 miljard aan bezuinigingen zouden moeten opleveren. Het kabinet Lubbers-Kok beperkt zich straks echter voor een deel tot het veranderen van de meerjarenramingen zonder dat daar reeds concrete maatregelen aan ten grondslag liggen. De definitieve bezuinigingsbeslissingen moeten worden genomen door het nieuwe kabinet. Het bezuinigingspakket van dit voorjaar heeft daardoor voor een omvangrijk deel slechts een papieren waarde.

De grootste bezuinigingsposten waarvoor dit geldt zijn de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren in de jaren 1995 tot en met 1997 en de prijscompensatie voor departementen in de jaren 1996 en 1997. Het duo Lubbers-Kok meent dat er in 1997 blijvend 1,43 miljard op de arbeidsvoorwaarden van ambtenaren kan worden bespaard als een nieuw kabinet met ingang van 1995 jaarlijks een korting toepast op de post loonbijstelling voor departementen en lagere overheden. Het zal in de begroting 1994 de meerjarenramingen vanaf 1995 met deze bedragen verlagen. Het derde kabinet regeert hier letterlijk over het graf heen. Het nieuwe kabinet zal immers over de arbeidsvoorwaarden ieder jaar opnieuw moeten onderhandelen en de concrete bezuinigingsmaatregelen moeten nemen.

Vergelijkbaar hiermee is de korting op de prijscompensatie van de departementen in de jaren 1996 en 1997 (structureel 1,3 miljard gulden), die het derde kabinet-Lubbers ook reeds in de meerjarenramingen wil verwerken. Dit is een pure sluitpost in het bezuinigingspakket. Het kabinet wilde een bedrag van structureel 9,2 miljard aan bezuinigingen in 1997 kunnen presenteren, maar kwam uiteindelijk nog 1,3 miljard gulden tekort. Het kabinet erkent in dit geval trouwens zelf volmondig dat het om een sluitpost gaat en dat het beter is als een nieuw kabinet straks voor dit bedrag bezuinigingen zoekt op grond van concrete maatregelen en politieke afwegingen.

Even ongericht als de kortingen op de loon- en prijscompensaties is de algemene subsidiekorting van 1 procent per jaar. Het nieuwe kabinet moet hierdoor straks voor een kleine 0,3 miljard concrete bezuinigingsmaatregelen nemen.

De financiële problematiek die het nieuwe kabinet moet oplossen zal de 3 miljard ruim overschrijden als realiteit wordt wat het derde kabinet-Lubbers zelf in zijn voorjaarsnota reeds als vrees uitspreekt: namelijk dat de geplande bezuiniging van 145 miljoen in 1995, oplopend tot 435 miljoen gulden in 1997 op de sociale zekerheidsuitgaven van de rijksbegroting (vooral Bijstand en werkloosheidsuitkeringen) niet doorgaat of maar weinig oplevert. Deze bezuiniging moet worden opgebracht door efficiëntere uitvoering en fraudebestrijding. Indien deze bezuiniging niet wordt gerealiseerd zal het kabinet nadere afwegingen maken omtrent te ontwikkelen alternatieven, schrijft minister Kok aan de Tweede Kamer. Omdat het gaat om maatregelen die het huidige kabinet nog moet bedenken en pas in petto heeft voor 1995 zal het zoeken naar alternatieven ongetwijfeld neerkomen op het volgende kabinet.

Dat nieuwe kabinetten “lijken” in de kast vinden is de laatste twintig jaar overigens heel gewoon. Van de één-procent-bezuinigingsoperatie van het kabinet-Den Uyl moest het kabinet-Van Agt I nog 3,3 miljard gulden met concrete bezuinigingsmaatregelen invullen. Het kabinet-Van Agt I liet vervolgens voor zijn opvolger een begroting achter waarin later een gat bleek te zitten van 3 miljard gulden, terwijl zijn laatste begroting daarnaast ook nog eens voor miljarden aan incidentele bezuinigings- en dekkingsmaatregelen en trucages bevatte, die het volgende kabinet moest omzetten in structurele maatregelen.

Het eerste kabinet-Lubbers trof een niet veel betere erfenis aan. Bovendien was het financieringstekort in de begroting 1983, die nog door het derde kabinet-Van Agt was opgesteld, opgelopen tot 10,5 procent van het nationale inkomen. Het tweede kabinet-Lubbers trof een begroting aan waarin niet alleen miljarden te weinig was bezuinigd, maar ook de invulling van een nieuw bezuinigingspakket ter grootte van ruim 9 miljard gulden vrijwel geheel was opengelaten.