De zieligheidsschaal

Er werd eens een kind geboren, het was in de vorige eeuw. De bevalling was zwaar en duurde lang, maar gelukkig was de medische verzorging goed. De kraamvrouw was namelijk een prinses. Zij overleefde het, haar zoon eveneens en het enige vervelende was dat hij steeds maar lag te krijsen in zijn wieg in plaats van rustig te slapen, zoals het een boreling betaamt. Maar ja, sommige baby's huilen nu eenmaal veel. Na twee of drie dagen bekeek iemand het prinsje nog eens goed. Het bleek dat zijn linker arm tijdens de bevalling uit de kom was geraakt. Er zaten zenuwen bekneld in de ontwrichte schouder.

Het kwam nooit meer helemaal goed met dat armpje. Het prinsje werd groot en werd mettertijd zelfs een echte keizer - oplettende lezers zullen misschien al aan Wilhelm II hebben gedacht - maar zijn linker arm bleef korter, een onhandig en pijnlijk ding waarvoor de man zich tot zijn dood gegeneerd heeft. En in onze tijd wordt de bezoeker van zijn laatste woonoord gewezen op zijn uniformen (ziet u, de linker mouw is korter), op schilderijen (kijk, altijd de linker arm buiten beeld) en wordt de vork-met-snijkant getoond, die speciaal is ontworpen om de keizer het eten te vergemakkelijken.

Zielig hè? Niet de keizer maar de baby. Het is de gedachte aan dat kindje, gillend van de pijn, die althans mij telkens opnieuw ontroert, de belangrijkste herinnering aan dat hele smakeloze Huis Doorn. Waarom werd pas na twee, drie lange dagen iets gedaan, in een paleis dat toch vol artsen en gedienstigen moet zijn geweest?

Bij nader inzien kun je je afvragen of de volwassen keizer, die tamelijk oud is geworden en zich zo schaamde voor zijn handicap, niet veel zieliger was. Verbannen uit zijn eigen rotland, een bekrompen ijdeltuit die zichzelf graag zag in de rol van Frederik de Grote maar niets van diens allure bezat. Hij hield alleen van bomen omhakken, van zwetsen tegen bezoekers en preken voor zijn personeel. Eenzaam slachtoffer van een rare, tegelijk onder- en overgeprivilegieerde jeugd.

Maar nee, het medegevoel wil niet komen. Die baby is zielig, op de aarde geworpen om pijn te lijden. Als zo'n kereltje zes is kan het al een etter zijn en iemand van dertien, zeker een prinsje, ronduit onaangenaam. Het medelijden heeft daar al eenzelfde graad van abstractie bereikt als dat voor de volwassene. Zielig is alleen wat klein en machteloos is, uitgeleverd aan iedere nuk van het lot. Groot, rijk, in staat tot het maken van keuzen, zo iemand spreekt niets warms in ons aan. Tenzij weer ziek, gek of luddevedu.

Er is een geheimzinnig vooroordeel tegen het begrip ”zielig'. Is medelijden discriminatie? Helpt het om iemand die met betraand gezicht roept: ik ben niet zielig! domweg te geloven? Nee hoor, je bent niet zielig. (God heeft juist heel speciale plannen met jou, zeiden de christenen vroeger.) Allemaal bijgeloof. Wie zielig is, is zielig. Zielig betekent gewoon: mededogen verdienend.

De vraag is dus: wie is het zieligst? Als een kind zieliger is dan een keizer en een baby zieliger dan een kind - en het is heel belangrijk om vast te stellen wie ons mededogen het hardste nodig heeft, nietwaar, want dan nemen we maatregelen, we gooien het belastingstelsel om of beginnen een campagne - dan stuiten wij onherroepelijk op wat nog hulpelozer is dan de mens: de dieren. En dan moeten we nog uitkijken dat we niet uit de bocht vliegen en in de berm terecht komen waar de o, zo kwetsbare plantenwereld welig tiert.

Toch hebben wij, gewone koekebakkers, geen enkele moeite met die bocht. Het is immers onze zieligheidsschaal zelf die krom is. Waar bewustzijn in aanleg aanwezig is, daar ligt het hoogste punt. Waar toerekeningsvatbaarheid toeneemt, slinkt het mededogen - maar waar het bewustzijn juist afneemt, ook weer. Een baby krijgt meer punten dan een duif, een duif meer dan een tor, een tor meer dan een klaproos. Een klaproos meer dan een steen.

Alleen de filosoof twijfelt soms aan die schaal, de denker, de schrijver. Zoals Aldous Huxley die in de jaren twintig met zijn vrouw door India reisde. Zijn biografe vertelt hoe de armoede die hij overal zag hem deprimeerde en ergerde. Maar de ervaring die Huxley het meest aangreep in India had met die banale ellende niets te maken. Die deed hij op in Calcutta, in de beschutting van het wetenschappelijk instituut van Sir J.C. Bose. Deze bioloog had instrumenten ontwikkeld waarmee hij de ”hartslag' van planten zichtbaar kon maken. Door het toestel kon hij laten zien hoe een plant ademde, at, en ineenkromp als men haar een elektrische schok toediende. Je zag wat er gebeurde als zij werd vermoord door toediening van chloroform. Huxley was ademloos. Die ervaring in het Bose-instituut te Calcutta was voor hem niet alleen fascinerend geweest, zo schreef hij later, maar had ook gruwelijke implicaties voor het hele leven.

Alleen de filosoof kan het zich veroorloven zo af te wijken van de gangbare zieligheidsschaal, en te zijn als het meisje Pietepeut, dat altijd heel voorzichtig liep om te zorgen dat ze niet op een bloem of op een kever trapte. (Het meisje Pietepeut, u weet wel, dat van het lelietje Van Dalen leerde hoe zij het gelijknamige beest moest temmen.) Alleen de filosoof beschouwt de manier waarop een samenleving met haar dieren omspringt als de beste graadmeter voor haar beschaving.

Wij leken, wij hebben onze handen vol aan de baby's die wij zelf hebben voortgebracht. Hulpeloze, kerngezonde kinderen, die we leren dat je geen kikkers mag opblazen. Maar in de knakworstjes die we ze geven zit het vlees van andere hulpeloze dieren, al is het dan niet veel. En weldra zullen onze keizertjes-in-spe met hun leren schoentjes zelf alle beestjes en plantjes onder hun voetjes vertrappen.

Later kunnen ze natuurlijk altijd filosoof worden.