De demonen in het vaderlandse geheugen

Hans Hylkema gebruikte voor zijn scenario voor de film "Oeroeg', de gelijknamige novelle van Hella Haasse uit 1948. In de film over de Indonesische vrijheidsstrijd tegen Nederland toont hij ook de gruweldaden die door Nederlandse militairen werden begaan. Zij werden door de schrijver van onderstaande beschouwing in 1969 onthuld, in een gesprek met de Vara-televisie.

Na veertig jaar hebben de Nederlandse oud-Indiëstrijders ook hun Vietnamfilm. Bij het bekijken van "Oeroeg' zullen bij velen van hen gebeurtenissen opdoemen waarin ze zelf een rol gespeeld hebben in de jaren dat ze als militair (vergeefs) probeerden de Indonesische strijd voor onafhankelijkheid te smoren.

In één week zag ik Hans Hylkema's "Oeroeg' en Spike Lee's "Malcolm X'. Beide films beginnen met de betekenisverandering van de nationale vlaggen tot achtereenvolgens het rood-wit van de prille Republiek Indonesia, en het X-teken van Malcolm Little, strijder tegen de blanke Amerikaanse onderdrukking. Bij Hylkema hoor je luid en hartverscheurend hoe het blauw langzaam van de vlag wordt afgetrokken. Bij Lee zie je de sterren en strepen aan vier zijden langzaam inbranden tot er een dikke X overblijft. Ik moet bekennen dat ik er bij beide films meteen inzat.

Meteen daarna voert Hylkema de kijker naar een opleidingskamp waar een sergeant-instructeur, schitterend gespeeld door Peter Faber, zijn jongens leert schieten, en een kamponghuisje leert naderen, doorsteken en opentrappen. Mensen die zo'n opleiding niet genoten hebben - je hoort mij niet zeggen "gemist' - vinden het gedrag van Faber misschien wat karikaturaal. Maar als die mensen in een Amerikaanse Vietnamfilm ooit een scène uit zo'n opleiding gezien hebben, dan weten ze dat het er daar nog veel erger aan toegaat. Rekruten, maar ook volleerde soldaten, kunnen er op elk uur van de dag of de nacht worden getreiterd, vernederd en uitgescholden, waarbij het speeksel de lager geplaatste in het gezicht spat. Allemaal met de bedoeling om ze hard te maken mochten ze oog in oog met vijandelijke krijgers komen te staan.

Desondanks zie je in die films en televisieseries militairen erbarmelijk slecht opereren. Tegelijkertijd herinner ik me ook dat het "klimaat' bij ons heel anders was. Dat werd gekenmerkt door wederzijdse achting en vanzelfsprekende, functionele gehoorzaamheid in een groep met gevechtservaring, waaruit de mensen die niet bestand bleken tegen de onvoorstelbare spanningen van het vuurgevecht, verdwenen waren.

Hylkema gebruikte Hella Haasse's novelle "Oeroeg' als draagvlak voor het scenario. Maar Hylkema verplaatste het zwaartepunt van de film naar de gewapende strijd. Het was moedig van Haasse om tijdens het schrijven in 1947, op het hoogtepunt van het gewapende conflict tussen de Republiek en het Koninkrijk, zo veel begrip te tonen voor de roep om onafhankelijkheid van een onderdrukt en vernederd volk.

Hylkema laat, net als Haasse, bedekt zien dat zijn hart uitgaat naar het Indonesische streven naar politieke onafhankelijkheid en persoonlijke gelijkwaardigheid. Makkelijk, bijna een halve eeuw later, maar Hylkema durfde ook wat anders. Hij prent de kijkers enkele gruweldaden in die ze niet licht zullen vergeten. Maar wees gerust, de beelden zijn verzacht.

Sinds 1957 heb ik steeds openlijk gesteld dat het op zijn minst ongepast is altijd maar weer verontwaardigd te wijzen op oorlogsmisdaden begaan door andere naties, zonder eerst de eigen misdaden te hebben onderzocht. In verreweg de meeste gevallen krijg ik dan een bloemlezing uit tien soorten verontschuldigingen opgedist. Die lopen uiteen van schizofreen aandoende ontkenningen van de werkelijkheid van militair geweld, via het inroepen van de verzachtende omstandigheid dat onze jongens buiten zinnen waren geraakt omdat de vijand terugschoot en wel eens raak ook, tot de hoogst dubbelzinnige erkenning dat oorlog nou eenmaal vreselijk is, maar dat waar er gehakt wordt ook spaanders vallen. Die laatste huichelachtigheid is de toon van de honderden gedenkboeken: een lach en een traan, en, vooral, zich miskend voelen.

Vergelijk die houding met die van de VS, Duitsland, Engeland en Frankrijk, om dicht bij onze eigen cultuur te blijven. Het meest voor de hand liggende geval is hier het bloedbad van My Lai; het Vietnamese dorpje waarvan de bevolking, zonder maar een schijn van militaire rechtvaardiging, werd afgeslacht. My Lai wordt nog altijd besproken in verscheidene van de meest gebruikte Amerikaanse inleidende leerboeken van de psychologie.

In Indonesië, zowel als later in Vietnam, ging het om een soort guerrilla-oorlogvoering. Een strijd tussen bewapende boeren, en een westers, technisch aanzienlijk beter uitgerust leger, dat niettemin langzaam maar zeker wegzonk in een moeras van hinderlagen, ondermijnde verbindingslijnen, slaapberovende beschietingen, en spanningen die de tegenstanders schiepen door van het ene ogenblik op het andere te veranderen van boer in krijger, en omgekeerd.

Hylkema bespaart de kijker de gruweldaden die over en weer begaan worden niet, maar hij toont zich daarbij terughoudend. Ik moest explicieter zijn in het vraaggesprek dat VARA's Achter Het Nieuws met mij had en op 17 januari 1969 uitzond. Op een zeker moment vroeg interviewer Hans Jacobs: “En hoe ging dat dan toe op zo'n patrouille? Hoe moeten we ons dat nou voorstellen?” In mijn uitvoerige en op alle punten genuanceerde antwoord besprak ik een reeks voorbeelden van verwerpelijk wreedaardig optreden, zonder enige militaire dwang of noodzaak, en van gruwelijkheden die, gegeven de levensbedreigende omstandigheden, desondanks begrijpelijk gemaakt konden worden.

Een voorbeeld van gruwelijk gedrag, volgens alle desbetreffende conventies gedefinieerd als een oorlogsmisdaad, was het volgende: “Daar werd waarschijnlijk een officier van een legerafdeling gepakt die niks wilde loslaten en de ondervragers keihard aankeek zonder dat hij iets zei. Dat was eerst slaan, toen trappen, maar hij hield zijn mond. Daarna nog harder slaan, zodat er wat bloed te voorschijn kwam. Er moesten andere methoden bedacht worden. Er werd een touw om zijn enkels geslagen. Het andere eind van het touw werd over de balk gegooid die het dak van de galerij van het huis steunde. Aan de ene kant van het touw de ondervrager, aan de andere kant de man; enkels boven, hoofd beneden. Eerst werd het touw zachtjes gevierd, waarbij de man met zijn hoofd op de cementen vloer van de galerij kwam. Vervolgens harder, totdat het bloed ongeveer overal uit zijn hoofd kwam en je een beetje krakend geluid hoorde.”

Hylkema "verzachtte' deze scène. Faber draait zijn krijgsgevangene hard in de rondte, maar onder zijn hoofd ligt geen cement maar gras, en er komt geen bloed aan te pas. De man blijft in de film echter wel ondervrager Faber keihard aankijken. Ik noemde de man in 1969 een grote verzetsheld. Bezweken in 1947 zonder te zijn doorgeslagen wordt hem in 1993 door de kinderen van zijn vroegere tegenstanders een grootse hulde betoond. Het doet me wat.

In de film wordt ook, kortstondig, een Nederlands My Lai getoond. Ik schetste een My Lai in januari 1969; het ware My Lai werd 10 maanden later openbaar gemaakt. In die dagen van januari kreeg ik onder meer bezoek van redacteuren van de Süddeutsche Zeitung en Der Spiegel. Dat leidde tot uitvoerige gesprekken, nadat we het er over eens waren geworden dat het ging over Kriegsverbrechen; een begrip zo oud als de oorlog zelf, maar in de jongste geschiedenis vastgelegd in de verdragen van Den Haag 1907, Genève 1929, en Londen 1949. Mensen verwarren dit begrip wel eens met Verbrechen gegen die Humanität. Maar die zijn pas omschreven in de verdragen van Neurenberg 1946 en Tokio 1947. Ze hebben betrekking op bijvoorbeeld concentratiekampen. (Beide begrippen zijn trouwens weer heel actueel door de Balkanoorlogen die nu woeden.)

Der Spiegel was me nog niet vergeten toen eind 1987 de verkrampten van mijn generatie dr. L. de Jong op de knieën dwongen, omdat hij in het ontwerp van het laatste deel (12, 2e helft) van zijn "Het Koninkrijk...' zowel mijn gezichtspunten deelde als mijn begrippen gebruikte. Der Spiegel toonde zich verontwaardigd over de schijnheiligheid die opnieuw hoogtij vierde. Deze krant liep daarbij trouwens voorop. Alle kijkers beneden de 60 jaar kunnen zich nu echter zelf een oordeel vormen over hoe het er in die strijd ongeveer aan toeging, zonder dat ze door veteranen gentimideerd kunnen worden, zoals in 1987 nog het geval was.

We zijn weer zes jaar verder. Wie weet brengt Oeroeg een kentering teweeg in de geesten van velen van mijn voormalige strijdmakkers. Het verheugt me dat de generatie van onze kinderen, waartoe ook Hylkema en zijn mensen behoren, de draad weer heeft opgepakt waar die was blijven liggen. Zij treden de demonen, die mijn generatiegenoten telkens weer koest willen houden, onbekommerd tegemoet. Bovendien scharen we ons zodoende onder de beschaafde landen die als belangrijk, zo niet wezenlijk kenmerk hebben dat de bewoners in de eerste plaats hun eigen misstappen aan een (pijnlijk) onderzoek wensen te onderwerpen.

In 1969 schreef ik over die immense en geheimzinnige kloof "Tussen sawa en archief'. Zowel Haasse toen als Hylkema nu hebben moed getoond om te helpen die kloof te dichten met aangrijpende beelden waarin universele waarden vervat zijn. Haasse's werk heeft inmiddels meer dan dertig herdrukken beleefd. Ik hoop en verwacht dat het werk van Hylkema en zijn mensen met dezelfde kracht, zij het met andere middelen, diezelfde algemene geldigheidswaarden zal uitstralen.

    • J.E. Hueting