Bonden en bazen willen jeugd "echt' laten werken

Met de Jeugdwerkgarantiewet (JWG) biedt de overheid jongeren een tijdelijke baan aan in de collectieve sector. Premier Lubbers stelde gisteren verdubbeling van het aantal jeugdbanen voor en uitbreiding naar de marktsector. Dat is minder simpel dan het lijkt.

Tussen zijn twaalfde en zeventiende jaar bezocht Marcel vier scholen. Soms ging hij uit zichzelf weg, meestal stuurde de conrector hem van school. Marcel bleef zitten in de brugklas en ging vervolgens naar het lager beroepsonderwijs (lbo). Toen dat niet beviel, ging hij naar een andere school. Daar kreeg hij "problemen' met de leraren.

Hij meldde zich bij het leerlingwezen, een combinatie van leren en werken. Zijn stage in een cafetaria eindigde toen hij zijn hand op zes plaatsen brak. In zijn proeftijd werd Marcel ontslagen. Nu heeft hij in het kader van de Jeugdwerkgarantiewet (JWG) een tijdelijke baan; in de kantine van het stadhuis in Zoetermeer.

De JWG is ingevoerd in 1990. De wet is bedoeld om de werkloosheid onder jongeren op te heffen. Jonge schoolverlaters krijgen een half jaar de tijd om een baan te zoeken of zich om te scholen. Lukt dat niet, dan biedt de overheid hen een tijdelijke baan aan in de collectieve sector, in een stadhuis, ziekenhuis of school. Het gaat om extra werk, taken die zonder de JWG'ers niet verricht zouden worden. De overheid betaalt de jongeren het minimum jeugdloon. Als hij zo'n arbeidsplaats weigert, loopt hij de kans een deel van zijn uitkering kwijt te raken.

Tot twee maanden geleden viel het bestaan van de Jeugdwerkgarantiewetnauwelijks op. Dat veranderde toen het kabinet voorstelde de bijstand voor jongeren onder de 21 jaar af te schaffen. Jongeren leren, werken òf ze vallen onder de JWG, luidt de redenering van het kabinet. Daarmee vervalt volgens ex-staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken) de noodzaak van een bijstandsuitkering voor jongeren.

In de bijstand zitten nu zestienduizend jongeren onder de 21 jaar. Om hen eveneens aan een baan te helpen, stelt het kabinet wettelijke maatregelen voor om er voor te zorgen dat het bedrijfsleven ook JWG-banen voor zijn rekening neemt. Bij de werkgevers en het Centraal Bestuur voor de Arbeidsvoorziening (CBA) stuit dat echter op bezwaren. De vakbeweging staat evenmin te trappelen. Men vreest dat de gesubsidieerde, goedkope jongeren de bestaande werknemers zullen verdringen. Ook waarschuwen diverse organisaties voor concurrentievervalsing, als de ene onderneming meer JWG'ers in dienst heeft dan de andere.

De vakbeweging wijst op het ontbreken van "echte' werkgelegenheid voor jeugdigen. Daarnaast belemmeren talloze regels de uitvoering van de JWG. Voordat je de wet uitbreidt, moet je eerst zorgen dat ze goed werkt, menen de werknemersorganisaties. De Jeugdwerkgarantiewet is nu een log en bureaucratisch instrument. De leeftijdsgrenzen liggen vast en een schoolverlater moet eerst een half jaar wachten voordat hij mag toetreden. In sommige gevallen pakt dat slecht uit. “Groepen schoolverlaters worden zonder meer de JWG ingeloodst terwijl sommigen beter af zijn met extra scholing of hulp bij het solliciteren”, aldus voorzitter L. Spoelman van de CNV Jongeren.

Spoelman begrijpt de angst van de werkgevers voor verdringing van de bestaande arbeid, maar soms “heiligt het doel de middelen.” Meer jongeren moeten werkervaring opdoen en het is aan de ondernemingsraad om in de gaten te houden of de jongeren niet misbruikt worden, aldus de voorzitter.

De ogen van Dahan glinsteren. Een baan in het bedrijfsleven lijkt hem geweldig. Dààr wordt immers het grote geld verdiend. Nu valt hij onder de JWG en werkt hij als kok in een bejaardentehuis. In de keuken van het tehuis vindt hij de felbegeerde bankbiljetten niet. Dahan droomt ervan meesterkok in een exclusief restaurant te worden. Als hij daar morgen een JWG-baan krijgt, stapt hij direct over. Misschien vinden ze hem goed en krijgt hij een "echt' contract.

Maar uitbreiding van de Jeugdwerkgarantiewet naar de marktsector zoals Lubbers nu voorstelt riekt de werkgevers te veel naar werken met behoud van uitkering. Daardoor zou de werking van de arbeidsmarkt ernstig verstoord raken. Plaatsvervangend directeur sociale zaken S. Nieuwsma van de christelijke werkgeversvereniging NCW beklemtoont nog eens het gevaar dat bestaande arbeid wordt verdrongen door goedkope JWG'ers. Maar hij zegt vervolgens: “Uit onderzoeken is gebleken dat werkgevers nauwelijks hechten aan loonkostensubsidies. Ze zoeken goed, gemotiveerd personeel.”

Bovendien zegt het bedrijfsleven geen behoefte te hebben aan boventallige arbeidsplaatsen. Een JWG'er verricht immers werk dat in het bedrijf anders niet gedaan zou worden. Nieuwsma: “Hij heeft wèl een mentor nodig die zijn handje vasthoudt. Dat kost geld en bevordert de slagvaardigheid in de onderneming niet.”

Pag 20: Jeugdwerkgarantie nu nog log instrument

Directeur F. Dijkstra van de JWG-instelling Meerwerk in Zoetermeer erkent dat zijn pupillen veel begeleiding eisen. Want het overgrote deel van de JWG'ers is met de kinderbescherming in aanraking geweest, komt uit een gebroken gezin of heeft een incestverleden. Op school hadden ze geen zin, voor huiswerk geen tijd. Ze hebben moeite zich aan te passen. Zo kwam Raymond steeds te laat en vergiste Dahan zich regelmatig in de dag. Marcel had de gewoonte zulke seksistische opmerkingen te maken, dat het schaamrood naar de kaken van zijn begeleider steeg.

Juist omdat de jongeren een moeilijke periode achter de rug hebben, wil Dijkstra slechts een klein aantal banen in het bedrijfsleven voor JWG'ers openstellen. “Daar liggen de eisen die aan de jongere gesteld worden hoger. De JWG'ers moeten langzaam wennen aan de bedrijfscultuur.” Daarnaast twijfelt hij aan de motivatie van een ondernemer om een JWG'er voor een half jaar in dienst te nemen. “De werkgever mag niet na vijf maanden zeggen: "Deze jongere bevalt me niet, heb je geen ander'. Want daar doe ik niet aan mee.”

Dijkstra realiseert zich dat het kleine Zoetermeer met relatief minder problemen kampt dan de grote steden. Daar zitten de regionale bureaus voor de arbeidsvoorziening opgescheept met een schreeuwend tekort aan banen. Amsterdam telt 460 JWG'ers, maar voor veertig procent is geen baan beschikbaar. Hun eerste kennismaking met de Nederlandse arbeidsmarkt bestaat uit een zogeheten leeg contract; ze ontvangen wel JWG-loon maar zitten thuis met de armen over elkaar.

Om het bestaan van lege contracten zoveel mogelijk te voorkomen, heeft een aantal instellingen inmiddels een aarzelende stap richting marktsector gezet. Amsterdam mag sinds kort zestig JWG-banen in de detailhandel en de agrarische sector bezetten. Maar de Amsterdamse JWG-instelling wijst op het ontbreken van plaatsen in de industrie. Veel schoolverlaters hebben een afgebroken technische opleiding achter de rug en kunnen daarmee in de collectieve en agrarische sectoren of in de detailhandel nauwelijks uit de voeten.

Het NCW en de instellingen reiken als oplossingen een samenvoeging van het leerlingwezen (een dag in de week naar school en de overige dagen werken) en de JWG aan. Nu moet iedere JWG'er die weer een opleiding wil volgen, zijn tijdelijke baan opgeven. Als tweede pleit het NCW voor het delen van één jeugdbaan in de collectieve sector. Nu werkt iedere JWG'er 32 uur per week.

De Zoetermeerse pupillen beginnen juist langzaam aan een werkweek te wennen. Dahan vergeet niet meer welke dag het is en Raymond verschijnt nu iedere ochtend om vijf voor acht bij de woningbouwvereniging. “Als ik hier te laat kom, moet ik langer blijven. Ik ben niet gek!”

De collectieve spijt onder het groepje JWG'ers in Zoetermeer is gebleven. Als ze terugkijken op hun leven, trekken ze de haren uit hun hoofd. Hoe hebben ze hun kostbare tijd zo kunnen verlummelen. Konden ze maar plaats nemen in een tijdmachine. Dan zouden ze andere vrienden zoeken, nooit meer spijbelen en altijd braaf hun huiswerk maken.

    • Yaël Vinckx