Simons: geen last van geheugenverlies

DEN HAAG, 9 JUNI. Een parlementaire enquête over de stelselwijziging in de gezondheidszorg? Staatssecretaris Simons (volksgezondheid) wil geen voorspelling doen over de mogelijkheid van een parlementair onderzoek naar de operatie waaraan hij al meer dan drieëneenhalf jaar leiding geeft. “Ik ben me er niet op aan het voorbereiden.” Als er ooit een enquête komt, zal hij niet behoren tot degenen die geheugenverlies hebben, belooft hij.

Simons gaf gisteren een toelichting op een brief die hij naar de Tweede Kamer stuurde. Daarin geeft het kabinet de "marsroute' aan voor de veranderingen in de gezondheidszorg in de komende jaren. Vorige week besloot het kabinet, op voorstel van Simons, een maatregel over de omschrijving van aanspraken op verpleging en verzorging en geestelijke gezondheidszorg in de wet niet in 1994 maar in 1996 te laten ingaan.

Reden voor dat uitstel: het komt verzekeraars en aanbieders van zorg, zoals artsen en ziekenhuizen, beter uit als de maatregel samenvalt met de vereenvoudiging van de Wet Ziekenhuisvoorzieningen (WZV) en de Wet Tarieven Gezondheidszorg (WTG), gepland voor 1996. Als de twee wetten zijn vereenvoudigd, kunnen de partijen doelmatiger werken en de kosten beter beheersen. Intussen hebben ze meer tijd nodig om zich op de veranderingen voor te bereiden. Die krijgen ze nu.

Het feit dat er in de Tweede Kamer geen meerderheid voor maatregelen per 1 januari volgend jaar is - het CDA wil eerst een aantal garanties voor kostenbeheersing - heeft bij de beslissing de "functionele omschrijving' uit te stellen geen enkele rol gespeeld, beweert Simons. Hij gaat ervan uit dat de Kamer binnenkort akkoord gaat met 1996 als ingangsdatum. Dat moet haalbaar zijn, verwacht hij op basis van gesprekken met de regeringsfracties CDA en PvdA. Als politiek en het veld - met name de verzekeraars en de "aanbieders' van zorg zoals artsen en ziekenhuizen - op één lijn komen, heeft hij er “de prijs graag voor over dat het een paar jaar langer duurt” voordat er een basisverzekering is.

Zijn stelselwijziging is zeker niet van de baan, betoogt Simons. Hij verwacht ook niet dat een volgend kabinet, al dan niet met de PvdA, van de ingezette koers zal afwijken. Natuurlijk zal er discussie zijn over de omvang van het verzekeringspakket, over de premieheffing, maar het idee van een basisverzekering voor iedereen blijft volgens de staatssecretaris recht overeind. Het veranderingsproces is “absoluut onomkeerbaar”. In deze kabinetsperiode is een “serieuze basis” gelegd voor vernieuwing in de gezondheidszorg, meent hij. Natuurlijk, hij had grotere ambities toen hij in het najaar van 1990 aantrad, “maar er zijn deze kabinetsperiode meer thema's die mijn aandacht hebben gevraagd, zoals de werkdruk van verpleegkundigen en de ziekenhuisbouw.”

In debatten over de stelselherziening zei Simons de afgelopen jaren steeds dat elk jaar uitstel van wetgeving een jaar verlies betekent. Dat was vooral op cruciale momenten, als de Tweede of Eerste Kamer belangrijke wetgeving wilde blokkeren. Nu draait Simons het om: “Als je later nog eens terugkijkt, zal blijken dat enkele jaren uitstel van wetgeving en kiezen voor het gelijktijdig nemen van een aantal maatregelen winst zal opleveren.”

Heeft de PvdA-staatssecretaris, voortdurend bedolven onder kritiek en nota's en adviezen met de boodschap dat de koers moet worden bijgesteld, niet één keer gespeeld met de gedachte af te treden? “Geen moment. Waarom zou ik? De gezondheidszorg is me te veel waard.”