Meester Meijer moet meester Meijer blijven

Als meester Meijer de klas binnenkwam zei hij vaak: “Kinderen, stil zijn, meester Takkebos komt binnen” (spotte hij met zijn haardracht?). Op maandag volgde dan een nabeschouwing over Ajax. Ik wist weinig over mijn geliefde geschiedenisleraar dr. Jaap Meijer, maar voelde dat hij niet thuishoorde op een school.

Vele jaren later kom ik meer te weten, als ik hem mijn eerste voorzichtige poging tot geschiedschrijving van de vakbondsjongeren, "Jonge Strijd' (1970) opstuur. Hij schrijft me dat hij de geschiedenis van de arbeidersbeweging decennia lang intensief heeft beoefend. In het boek "Zij lieten hun sporen achter', zijn de teksten te vinden. In mijn studie heeft de jeugdorganisatie "De Zaaier' zijn belangstelling. Tussen 1900 - 1909, was "De Zaaier' verbonden aan de SDAP en daarna ging de kleine beweging richting SDP. Meijer is vooral genteresseerd in het athestische aspect van de organisatie. En, zo schreef hij, hij had Henri Polak persoonlijk gekend. Wat betreur ik het dat deze "sporen' op school voor mij niet zichtbaar waren. Waarom ken je een leraar niet echt?

Jaap Meijer werd in 1912 in Winschoten geboren. Terugkijkend naar deze periode, herinnert hij zich een joodse kalender in de voorkamer. Hij dicht in het Nedersaksisch: As wie ons aigen doagn van de kalinder scheuren- wos ik als kind al dat wie hier nait heuren

Meijer hoort bij het vermoorde Ommelandse Jodendom, "... as de iewige, zwarvende jood uut middelieuwse legenden'. Pas de laatste jaren ontmoet ik hem een enkele keer en hoor ik fragmenten uit zijn levensgeschiedenis. Van Winschoten naar het seminarium in Amsterdam. Zijn beurs was toereikend voor de kamerhuur, ontbijt en eten tussen de middag. De voor rabbijn studerende Meijer kreeg het avondeten per dag afwisselend bij welgestelde joden. Hij beschrijft dit in "Het traject van een Täg-Esser'. Woensdag eet hij bij het gezin Duizend in de Spinozastraat, oorspronkelijk afkomstig uit de Papenburgerstraat. Meijer merkt op dat “..zo'n ghetto-achtergrond in het algemeen geen enkele rol meer speelde in het gevoelsleven van burgerjoden, die daar in oorsprong vandaan kwamen. Men distantieerde zich al gauw van dat naargeestige, verkrotte stadsdeel (...). Dat nam niet weg, dat men zich verzette tegen de joods-socialistische "selbsthasserige' kritiek op de maatschappelijke misstanden, die daar in de buurt heersten en die door auteurs als Is. Querido en vooral Herman Heijermans in de openbaarheid werden geslingerd. Ik herinner me die keer dat deze laatste aan tafel ter sprake kwam na de én of andere toneeluitvoering. Ik kwam met "Diamantstad' op de proppen en hoor nog Bram Duizend vlijmscherp: “Heijermans was een chazzeroor” (viezerik). Men stond ver van Marken en Uilenburg maar verketterde de affectieve afstand die er kennelijk was gegroeid tussen de joodse socialisten en alles wat naar jodendom zweemde.”

Meijer hoorde bij de Zionistische Studentenorganisatie en plaatste zichzelf aan de vooruitstrevende linkerkant. Hij kwam in contact met Sam de Wolff, Kleerekoper en later ook Henri Polak. Nadat hij geschiedenis is gaan studeren, promoveert hij (als eerste) bij Jan Romein en trouwt met de dochter van de secretaris van de diamantbewerkersbond, "Liesje' Voet.

Meester Meijer, blijft meester als ik hem mijn dissertatie over arbeidersenquêtes breng. Meteen stort hij zich op de literatuurlijst en geeft aan wat ik vergeten ben. “Oproerige Krabbels”, van Kleerekoper bijvoorbeeld, hij pakt ze uit de kast en leest ze voor. We lopen langs zijn bibliotheek en hij maakt me deelgenoot van de levensloop en de opvatting van nog "echte' socialisten en marxisten. Ik vraag hem naar de achtergrond van de hekel die Troelstra had aan de "Tribunist' Wijnkoop. Van Ravesteijn vroeg zich immers af, of hier geen "verholen anti-semitisme' achter stak. Jaap Meijer pakt het juridische proefschrift van Troelstra van de plank en wijst me op één van de stellingen, waarin de vraag gesteld wordt of bepaalde joodse rituelen niet in strijd zijn met het Nederlandse recht.

De toon van Van Ravesteijn lijkt soms op die van Meijer als hij zijn mening geeft over de huidige generatie sociaal-democratische leiders. In 1948 veroordeelt eerstgenoemde de opheffing van de SDAP en de vorming van de PvdA, “...een groepering waarvan reeds de naam aanduidt, dat zij meer naar een buitenlandse cliché is gevormd dan uit de vaderlandse klei geformeerd en waarin zoveel vrijzinnige-democraten en anderen uit "burgerlijke' groepen zijn opgenomen, dat men ze onmogelijk meer "socialistisch' kan noemen, wat te wijten of te danken is aan het feit, dat Troelstra te Deventer in februari 1909 het militante marxisme in de SDAP den ruggegraat heeft gebroken.” De scherpe toon en de spot zijn Meijer niet vreemd. In één van de dichtbundels, die ik van hem krijg, schrijft hij “Voor Ruud, voorvechter van de arbeiders”.

(Zelf)spot is een element, als hij op 55-jarige leeftijd onder het pseudoniem Saul van Messel begint te dichten. De arbeidersbeweging speelt in zijn gedichten geen rol meer. Bij een gedicht wijst hij me op zijn “grote stamgenoot Karl Marx”.Toen jezus werd gekruisigd Spinoza verbannen en Karl Marx verhongerdespeelden kinderen verstoppertje in de straten van Jeruzalem Amsterdam en Londen en riepen tik - ik heb je gevondenwie wordt vandaag vermoord in Jeruzalem Amsterdam en Londen Ik lees de brief die zijn zoon Ischa aan zijn moeder schrijft. Het beeld dat hij van zijn vader geeft, is voor mij een pijnlijke confrontatie. Waarom worden dit soort brieven niet over de post verstuurd? Ik ga me er niet in verdiepen, meester Meijer moet meester Meijer blijven.

Onlangs zag ik hem weer op het station in Heemstede. Onze aanpak om de PvdA te vernieuwen was veel te "reclame-achtig', te weinig ideologisch. Maarja, hij was gevormd door de vooroorlogse socialisten.

Hij had nog wel een spreuk voor ons: “PvdA is toch voordeliger”.