Maij-Weggen schopte Walen nodeloos tegen de schenen; Nieuw rivierenverdrag is urgent

Onlangs zag minister Maij-Weggen af van de ondertekening van het Maas-Scheldeverdrag. Zij bereikte geen overeenstemming met Wallonië over de bestrijding van de vervuiling van de Maas. Nederland wil met Vlaanderen een afzonderlijk verdrag over de Schelde sluiten. Maar zonder medewerking van de Walen is een beduidende verbetering van de waterkwaliteit, ook van de Schelde, onhaalbaar.

Eindelijk heeft de Nederlandse regering dan toch de plannen voor waterverdragen met België ontkoppeld. In gewoon Nederlands betekent dit, dat de verdieping van de Westerschelde niet meer afhankelijk wordt gemaakt van de schoonmaak van het Maaswater in Wallonië. De op andere gebieden zo voortvarende minister van verkeer en waterstaat Maij-Weggen doet nu wat door alle politieke fracties in Vlaanderen en Nederland, behalve de VVD, al enkele jaren binnen- of buitenskamers wordt bepleit. De tactiek om Wallonië te laten betalen voor een ongehinderde toegang van grote bulk-carriers en containerschepen tot de haven van Antwerpen heeft niet gewerkt. In feite zakte de grond onder die tactiek al weg toen het beheer over de Maas geheel onder Waalse jurisdictie kwam. De koppeling kwam dan ook al jaren geleden in de lucht te hangen. Door de veel te late Nederlandse beleidswijziging is inmiddels onnodig schade aangericht aan de Belgisch-Nederlandse betrekkingen.

Voor het masterplan van de waterverdragen komt nu, zo mogen we aannemen, het bekkenbeleid in de plaats. Dat dient nu op de waterkwaliteit van het gehele stroomgebied van een rivier en haar zijrivieren te worden gericht. Uit de toelichting van minister Maij-Weggen op het besluit tot ontkoppeling ontstond de indruk, dat ze over de Schelde alleen nog maar met Vlaanderen wenste te onderhandelen en slechts met dat gewest een verdrag wilde afsluiten. Dat heeft in Wallonië kwaad bloed gezet. Of dat nu terecht was of niet, in elk geval valt een overeenkomst alleen met Vlaanderen niet te rijmen met het bekkenbeleid.

Voor een beduidende verbetering van de kwaliteit van de Schelde kan waterzuivering in het Waalse en het Franse deel van het stroomgebied niet gemist worden. Het afvalwater, dat Brussel op het riviertje de Zenne loost, is zo vervuild, dat met recht van een open riool gesproken kan worden. Maar de Brusselse autoriteiten verzekeren, dat de watertoevoer in Brussel uit Wallonië ten minste zo smerig is. Met de vervuiling van de Schelde in Frankrijk is het nog erger gesteld. Autoriteiten van de agglomeratie rondom Lille laten er geen twijfel over bestaan, dat vooralsnog werkgelegenheid boven milieu gaat. Alleen door ook hen bij de onderhandelingen te betrekken kan het beleid in Wallonië en Frankrijk worden omgebogen.

Door in de eerste opzet de samenwerking voor de Schelde tot Vlaanderen te beperken heeft de Nederlandse minister ook een oplossing van de problemen over de Maas verder van huis gebracht. Helaas heeft ze ook op andere wijze de samenwerking over de Maas bemoeilijkt en de Walen nodeloos tegen de schenen geschopt.

Natuurlijk schuilt veel waars in de bewering, dat het Waalse waterbeleid twintig jaar op het Nederlandse achterloopt. Natuurlijk is te betreuren, dat steden als Luik, Namen en Charleroi het zonder installaties voor de zuivering van rioolwater moeten stellen. Natuurlijk is het kwalijk, dat de inname van Maaswater in de Biesbosch soms wekenlang moet worden gestaakt omdat stroomopwaarts gif in de rivier is gekomen. Natuurlijk zijn lozingen van zware metalen, zoals bij Waalse fabrieken gebeurt, te veroordelen. Net als overigens de lozingen van landbouwgif in het Nederlandse gedeelte en van verontreinigende reststoffen van kunstmestproduktie net achter de Biesbosch.

Hoezeer evenwel in Nederlandse ogen en naar Nederlandse maatstaven het Waalse waterbeleid ook mag tekortschieten, we hebben geen been om op te staan als dat beleid niet ook volgens Europese richtlijnen of verordeningen tekortschiet. Welnu, de Waalse regering verzekert, dat ze zich aan de Europese voorschriften houdt. De Nederlandse minister van Verkeer en Waterstaat kan kennelijk het tegendeel niet aantonen. In een recente brief aan de Tweede Kamer zegt ze zelf “op de vraag in hoeverre België en de Belgische gewesten bestaande internationale verplichtingen op het gebied van het waterkwaliteitsbeleid niet nakomen kan ik niet met zekerheid antwoorden”, om vervolgens het netelige onderwerp door te schuiven naar de Europese Commissie. Maar die vindt de zaak, ondanks Nederlandse aandrang blijkbaar niet hard of urgent genoeg om via de Belgische regering Wallonië in de beklaagdenbank te zetten.

Tegen wil en dank zal minister Maij-Weggen dus op de een of andere manier met Wallonië verder moeten onderhandelen. Zoals meestal bij dit soort conflicten gaat het in wezen om de vraag “wie zal dat betalen?” Het antwoord lijkt afdoende: dat is natuurlijk de vervuiler. Maar zo simpel is het niet. Men kan betogen en de Walen doen dat dan ook, dat het adagium “de vervuiler betaalt” slechts slaat op de betaling voor maatregelen nodig om de waterkwaliteit op een door wetten of verdragen voorgeschreven minimumniveau te brengen of te houden. De Walen leveren, naar zij zeggen, bij Eysden water af waarin onder normale omstandigheden karpers kunnen rondzwemmen en dat dus goed genoeg is om er in Nederland drinkwater van te maken. “Eau potabilisable” heet dat. Waarom zouden zij betalen, zo vragen zij, om vervuiling te bestrijden die buiten de normen valt? Op deze redenering is zeker het een en ander af te dingen. Maar duidelijk is wel, dat de Waalse positie aanmerkelijk sterker is dan de zelfverzekerdheid van de Nederlandse bewindsvrouw ons zou kunnen doen geloven.

Het rivierenverdrag van Helsinki zou een eerste mogelijkheid kunnen bieden om uit de impasse te komen. Zodra België, met instemming van onder meer Wallonië, dat verdrag heeft geratificeerd, wel te verstaan. Maar dit verdrag is slechts een raamverdrag; om zijn doelstellingen te verwezenlijken zijn aanvullende overeenkomsten nodig. Hoe die eruit moeten zien is al in november 1990 aangegeven door een conferentie over de Maas onder auspiciën van de interparlementaire Beneluxraad. Een Internationale Maascommissie, waarin alle landen en gewesten binnen het stroomgebied van de Maas plus de Europese Commissie vertegenwoordigd zijn, zou moeten worden ingesteld. Het opstellen van een Maas Actie Plan zou de belangrijkste taak van deze commissie moeten worden, in samenwerking met de betrokken landen en gewesten.

Daarmee is het probleem van de financiering nog niet opgelost. Wallonië gaat voortaan jaarlijks ongeveer tweehonderd miljoen gulden aan waterzuivering besteden. Maar voor een grondige sanering zal een veelvoud van dit bedrag nodig zijn. Ik pleit voor een financile component in het Maas Actie Plan. Daarvoor moet een fonds worden ingesteld, waaraan de verschillende landen en gewesten binnen het stroomgebied volgens een nader vast te stellen sleutel bijdragen. Daarnaast kan een lijst van investeringensprojecten voor waterzuivering worden opgemaakt, gerangschikt naar urgentie van de projecten. De middelen van het fonds kunnen dan aan de hand van deze lijst worden toegewezen, ongeacht de ligging van de projecten. Iets dergelijks kan ook voor de Schelde worden geregeld, wellicht zelfs gemeenschappelijk met de Maas.

Alleen een aanpak als deze kan voorkomen, dat het grensoverschrijdende waterbeleid wederom in jarenlange stagnatie verzeilt. De minister van verkeer en waterstaat zal ook met de Walen weer con amore aan tafel moeten. Van ministeriële irritatie wordt de Maas niet schoner.