Iets moois

Na afloop van de onweersbui - er vielen pijnlijk harde hagelstenen, de regen gutste ruisend neer - verbreidt zich een zalige frisheid. Het veld is als een open boek.

Daar lopen de twee kraanvogels weer, stap voor stap en zij aan zij. Die zijn er steeds. Die zijn iets moois van plan. Dit jaar is het te laat, maar er komt heus nog wel een volgend jaar en voor iets moois, dat staat inmiddels vast, moeten zij met hun tweetjes zijn.

Iets verder ligt het rustend kalfje van een ree. De moeder graast. Ze richt zich op. Ze kijkt het even aan. Die lange vogels doen haar jong geen kwaad, dat weet ze wel. Maar toch. Er zijn grenzen. Al zijn het maar de grenzen van fatsoen. Ze gaat er dus op af en zwaait een beetje bokkig met haar kop.

De ene vogel maakt een sprong van schrik, alsof hij op zijn tenen is getrapt. Hij slaat ook half zijn vleugels uit. De andere doet het hem onmiddellijk na. Zo hoort het als je met z'n tweetjes bent. Dit is hun dans, hun samengaan in vreemde buigingen en brede gebaren, juichende kreten.

Het kalfje ligt nog steeds. De moeder staat er naast. De vogels lopen kranig door.

Daas van de impressies en de muggen daalt nu de avond neer. Een violette zon breekt door het wolkendek. Het veld verdwijnt in dampen. In deze dampen wordt gesnurkt, door varkens lijkt het wel.