Het hakblok

Is het presidentschap van Bill Clinton een fiasco? Dan is het de vraag hoe de kiezers zich zo grondig hebben kunnen vergissen en of er een betere uitkomst mogelijk was geweest.

In de voorverkiezingen die aan de kandidaatstelling voorafgingen was het duidelijk geworden dat de gouverneur van Arkansas niet veel bedrijfskapitaal had, maar wel een zware ballast, waarvan zijn geslaagde poging om aan Vietnam te ontkomen en zijn betwijfelbare huwelijkstrouw de voornaamste onderdelen waren. Door deze handicaps, tractaties voor demagogen, liet hij zich niet uit het veld slaan. In de loop van de voorverkiezingen heeft hij het programma ontwikkeld waarop hij door de conventie tot kandidaat is benoemd. In de ontwikkeling van de strijd tegen Bush heeft hij diens zwakheden uitgebuit, wat gemakkelijker ging naarmate de Republikeinen in hun paniek meer hun toevlucht namen tot platte demagogie.

Clinton is gekozen op zijn binnenlands programma omdat er, afgezien van de Joegoslavische burgeroorlog, in de buitenlandse politiek geen vraagstuk van enige aandacht trekkende urgentie was. De luxe van een betrekkelijk probleemloos buitenland ging gepaard met de loden last van alles in het binnenland. Zijn plannen met de economie werden door geleerden en kopstukken uit het bedrijfsleven zo goed gevonden dat ze in het publiek verklaarden hem te zullen steunen. Zijn eertijdse concurrent Perot gaf toe dat de Democratische denkbeelden niet slecht waren. In zijn campagne zocht Clinton het midden en daarbij slaagde hij erin afstand te nemen van de liberals die voor vorige nederlagen en de malaise in de partij verantwoordelijk werden gehouden. Afgezien van zijn plannen voor het economisch herstel was dat zijn grote politieke kracht. Bush had zich door zijn tactische toegeeflijkheid laten belasten met de hypotheek van uiterst rechts en zijn ervaring in de Koude Oorlog was verjaard. Clinton had zo'n hypothecaire last van de liberals weten te vermijden en voor de buitenlandse politiek kon hij op ervaren adviseurs rekenen.

Dat waren in hoofdzaak de argumenten waarmee de verkiezingsstrijd is beslecht. Afgezien daarvan was er de bekende onweegbare factor, de stemming onder de kiezers, the mood of the country. Het land liet weten dat, na een steeds conservatiever Republikeins bewind, aangetast door een lange reeks schandalen - de Savings and Loans, de junk bonds, het nog altijd niet opgehelderde Iran-contra mysterie, de tijd voor verandering was aangebroken. De Republikeinen waren als regeringspartij verbruikt.

De kiezers die zich niet van het midden wilden verwijderen maar wel de noodzaak van een gematigde verandering zagen, de middenklasse waarvan de onderste laag zich naar de armoedegrens gedrongen zag, en de bovenste die economische vernieuwing wilde en bereid was daarvoor iets te offeren konden bij nuchtere afweging niet anders: het Democratisch programma en de versletenheid, de binnenlandse staat van dienst en de vaagheid van de Republikeinen dwong tot een stem voor Clinton. Hebben ze zich daarin vergist? Zo te zien wel.

De nieuwe president ontpopt zich verder tot een persoonlijkheid voor wie zijn tegenstanders hebben gewaarschuwd: een aarzelaar, een allemansvriend en een ijdeltuit. Aan wie de schuld van de verkeerde keus? Aan wie het gelijk?

Dat zijn niet de goede vragen. De sfeer van de campagne, de strijdwijze van de Republikeinen en de malaise van hun laatste jaren zullen massa's Amerikanen ertoe hebben gebracht, datgene te doen wat in de moderne democratieën van het Westen meer en meer gebruikelijk is: negatief stemmen. De zittende regeerders hebben het zo miserabel gedaan, zich dusdanig laten verstrikken in hun eigen middelmatigheid dat men met een één-twee-drie in godsnaam maar het risico met de ook niet volmaakte oppositie neemt. Het risico lag in dit geval minder in het programma dan bij de uitvoerders; en in zijn campagne had Clinton zich immers de "come-back kid' getoond, de taaie terugvechter. Daarom heeft de benodigde meerderheid het erop gewaagd. Als die zich heeft vergist is dat meer een vergissing in een man en zijn omgeving dan in een programma.

Is daarom het presidentschap mislukt? De Herald Tribune zet als verzamelkop boven het Amerikaanse politieke nieuws: Het Hakblok. Iedere dag wordt er wel een blundertje of bewijs van grillig gedrag aan het presidentiële imago toegevoegd; het spook van Jimmy Carter doemt op uit de Washingtonse coulissen. Daardoor ontstaat er een probleem extra, want als een imago zich eenmaal heeft gevestigd wil de wet van de publiciteit dat het zichzelf in de aangegeven richting versterkt. Wie eenmaal op dat hakblok terecht is gekomen loopt grote kans op een andere manier met overeenkomstig resultaat het lot van Johannes Hus te delen. Van heinde en verre komt men helpen om het vonnis te voltrekken.

Het verschil tussen toen en nu is dat de Paus de Tsjechische priester kon missen als kiespijn maar dat de Amerikanen en de rest van het Westen het nog drie en een half jaar met deze president moeten doen. Minder dan vijf maanden zijn, zelfs bij deze reeks mislukkingen te kort om een presidentschap al definitief te kunnen veroordelen, en als dat toch gebeurt onthoofdt men zichzelf. Uiteindelijk hoort het allemaal tot de risico's van de negatieve keuze waarmee niet alleen de Amerikanen zijn opgezadeld.

    • H.J.A. Hofland