EG sneller open voor Oost-Europa; Top in Kopenhagen krijgt toch nog een beetje glans

LUXEMBURG, 9 JUNI. Zo krijgt de komende Europese top in Kopenhagen - bij voorbaat verziekt door het nog steeds ontbreken van een Britse handtekening onder "Maastricht' - toch nog een beetje glans. De economische recessie zorgt voor steeds meer vertwijfeling in eigen huis, en toch zullen de regeringsleiders van de twaalf lidstaten over twee weken formeel besluiten om de banden met Oost-en Midden-Europa verder aan te halen, met als consequentie dat goederen uit die landen in verhoogd tempo op de interne markt van de EG zullen worden afgezet.

Met die stap geeft de Europese Gemeenschap “een duidelijke boodschap” af aan de landen in Midden- en Oost-Europa dat “hun toekomst is met en uiteindelijk in de EG”, aldus gisteren een opgetogen EG-commissaris Sir Leon Brittan. Ook in tijden van recessie, waarin iedereen van nature is geneigd om in de eigen schulp terug te kruipen, toont de EG dat ze een open oog houdt richting Oost-Europa. En meer dan dat: afspraken die al waren gemaakt over het verlagen van dounanetarieven en over het verruimen van importmogelijkheden zullen versneld worden uitgevoerd.

Gisteren gingen de EG-ministers van buitenlandse zaken in grote lijnen akkoord met de voorstellen die Commissie-voorzitter Delors en de commissarissen Van den Broek en Brittan afgelopen april op tafel hadden gelegd om de relatie met Midden- en Oost-Europa vorm te geven. Uit welbegrepen eigenbelang: voor de stabiliteit in Europa is het van het grootste belang dat we de economische en politieke hervormingen in die landen daadwerkelijk steunen, aldus de Commissie.

Het gaat onder andere om Polen, Tjechië, Slowakije, Hongarije, Roemenië en Bulgarije, landen waarmee de EG al zogeheten Europa-akkoorden heeft gesloten. In het verleden is al eens gezegd dat in die Europa-akkoorden het perspectief besloten ligt van een volwaardig lidmaatschap van de EG - een uitzicht dat bijvoorbeeld Rusland niet wordt geboden in het "partnerschap-akkoord' waarover momenteel wordt onderhandeld). Maar volgens de Europese Commissie - en de ministers van buitenlandse zaken hebben dat gisteren bevestigd - is het van groot politiek belang om dat signaal in de huidige tijd van onzekerheden en omschakelingen nog eens te herhalen. En dat is wat er in Kopenhagen dus zal gebeuren.

Wat betreft de gewenste politieke dialoog kiest de EG daarbij voor een formule die haar wel verplicht, maar die haar tegelijkertijd niet bindt aan strakke tijdschema's of procedures. De betrokken landen kunnen uiteindelijk lid worden van de EG, maar het noemen van een streefdatum wordt zorgvuldig vermeden. Alleen de voorwaarden worden nog eens opgesomd: de landen moeten hebben bewezen echt democratisch te zijn, mensenrechten en minderheden moeten worden gerespecteerd en de vrije-markteconomie moet tot wasdom zijn gekomen (inclusief de afschaffing van concurrentievervalsende overheidssubsidies).

De EG wil in een multilateraal kader, dus niet met de verschillende landen apart, overleggen over en samenwerken bij allerlei zaken van gemeenschappelijk belang (bijvoorbeeld ook op het terrein van justitie). Maar die overlegprocedures mogen op geen enkele wijze de indruk wekken dat inbreuk wordt gemaakt op de autonomie van de EG om op eigen houtje besluiten te nemen. Vandaar dat de ministers van buitenlandse zaken gisteren de suggestie van de Commissie schrapten om in de toekomst te spreken van een “Politieke Europese Ruimte”. Zo'n woordgebruik schept te hoge verwachtingen. Gemeenschappelijke ministerraden en andere vergaderingen in het kader van de politieke dialoog zullen dan ook “een raadplegend karakter hebben” en niet besluitvormend zijn, aldus de tekst.

EG-commissaris Brittan toonde zich uiterst verheugd dat de mininsters “alle essentiële elementen” in het voorstel van de Commissie overeind hebben gehouden over de markttoegang tot de EG. Van te voren was voorspeld dat vooral landen als Frankrijk en Portugal op veel punten dwars zouden gaan liggen. Maar gisteren bleek een grote mate van consensus, al werd er op sommige punten (Frankrijk bijvoorbeeld over auto's) natuurlijk wel gemopperd.

Uiteindelijk moest Brittan gisteren slechts op twee punten toegeven. Het ene is dat de betrokken Oost- en Middeneuropese landen niet de mogelijkheid zal worden geboden om in bepaalde gevallen zogeheten importquota om te zetten in importplafonds. Die laatste formulering biedt wat meer flexibiliteit ten aanzien van de invoer, iets waar niet alleen Frankrijk maar ook België, Ierland, Spanje en Portugal niets voor voelden.

De tweede concessie van Brittan betreft de eisen die worden gesteld aan de herkomst van de in te voeren goederen. De Commissie wilde dat ook Oosteuropese produkten waarin onderdelen zijn verwerkt afkomstig van ondernemingen uit de EVA-landen (inclusief Zwitserland), in aanmerking zouden komen voor het gunstige invoerregime van de EG. Maar die mogelijkheid is voorlopig afgesneden, al komt er nog wel een studie naar.

In de onderhandelingen over de handel worden wel tijdschema's opgesteld. Concreet zal de EG in de komende onderhandelingen met de Midden- en Oosteuropese landen voorstellen om onder andere de douaneheffingen op industriële basisprodukten na 2 jaar af te schaffen (in plaats van na 4 jaar zoals nu is vastgelegd in de Europa-akkoorden). Voor industriële produkten worden de heffingen na 3 jaar afgeschaft in plaats van na 5 jaar. Daarnaast zullen de toegewezen invoerquota jaarlijks worden verhoogd.

Voor gevoelige goederen als textiel, staal en landbouwprodukten gaan de voorstellen van de EG relatief minder ver. Op die terreinen wil Brussel de mogelijkheid behouden om te kunnen ingrijpen als de EG-markt wordt verstoord - iets waar bijvoorbeeld de Russen in hun onderhandelingen met de EG over een vrijhandelsakkoord grote bewaren tegen maken. Brittan zei gisteren dat in de voorstellen van de Commissie al was verdisconteerd dat de EG-lidstaten reserves zouden hebben om in die “gevoelige” sectoren al te genereus te zijn. Daarom zijn de voorstellen van de Commissie op die specifieke punten ook “bescheiden”, aldus Brittan.

De grote mate van eensgezindheid betekent niet dat de regeringsleiders in Kopenhagen helemaal niets meer te doen hebben. Sommige details moeten nog worden geregeld. Bijvoorbeeld welke percentage (10 of 15 procent) van de huidige EG-hulp (PHARE) aan Midden- en Oost-Europa door die landen mag worden gebruikt als garantievermogen bij het aantrekken van nieuwe kredieten. En de de EG-regeringsleiders zullen zelf moeten beslissen of ze veel voor voelen voor het voorstel om over een paar jaar een grote Europese top van regeringsleiders te organiseren, om daarmee de samenwerking tussen West en Oost nog een extra dimensie te geven.