Eerste speelfilm over Nederlands-Indisch trauma verzoent en beleert; Vervlogen illusie van een polderjongen in de tropen

Oeroeg. Regie: Hans Hylkema. Met: Rik Launspach, Martin Schwab, Jeroen Krabbé, Josée Ruiter, Peter Faber, Joris Putman, Ramelan Bekkema, Tom van Bauwel. In 25 theaters.

Vaak is er geklaagd over de futiliteit van de meeste Nederlandse speelfilms. Niet alleen buitenlandse filmcritici, in staat gesteld tot kennismaking met een kwalitatief hoogwaardige selectie uit de Nederlandse filmproduktie, verbazen zich over het gebrek aan "urgentie' van de behandelde thema's. Ook een groot deel van de Hollandse intelligentsia pleegt zijn schouders op te halen over weer een relatiedrama, de pikante verfilming van een bestseller of een nieuwe terugblik op de pijn van een calvinistische jeugd. De enige permanente bron van houtsnijdende, filmische verhalen uit de recente vaderlandse geschiedenis vormt nog steeds de Tweede Wereldoorlog. Is ons Nederlanders deze eeuw dan echt niets anders overkomen, dat ons geweten op de proef stelde, pijn deed, noties van goed en kwaad verwarde, mythes creëerde en spanning op leven en dood teweeg bracht?

Verreweg de belangrijkste verdienste van Hans Hylkema's film Oeroeg is dat een voor de hand liggende bron van zulke verhalen, het smartelijke afscheid van Nederlands-Indië, eindelijk, na vijfenveertig jaar, aan de collectieve verdringing ontworsteld wordt. Hylkema, geboren in 1946, dient daarmee niet alleen de Nederlandse filmcultuur een injectie toe. De zorgvuldige en genuanceerde benadering door de film van een tot voor kort taboe verklaard nationaal trauma kan bevrijdend werken voor alle betrokkenen.

Het is niet eens eenvoudig onbezoedelde woorden te vinden voor de gebeurtenissen in het huidige Indonesië tussen 1945 en 1949. Toen oud-Indië-strijder J. Hueting in 1969 voor de Vara-televisie, gedocumenteerd en deels puttend uit eigen ervaring, aandacht vroeg voor "excessen' bij het optreden van het Nederlandse leger tijdens de "politionele acties', stak er een storm van verontwaardiging op. Het kon en mocht niet waar zijn. Nu zouden we misschien eerder spreken van een "koloniale oorlog' gericht tegen de "onafhankelijkheidsstrijd' van de Indonesische nationalisten, waar van beide zijden ook "oorlogsmisdaden' begaan werden, maar ook die benamingen zijn verre van neutraal.

Met als uitgangspunt Hella S. Haasses in 1948 gepubliceerde novelle Oeroeg over de jeugdvriendschap van een Hollandse planterszoon en de even oude "inlandse' (of "autochtone'?) zoon van de mandoer (opzichter) schreven Jean van de Velde en Hylkema een ingenieus scenario over de gecompliceerde relatie tussen Hollanders en Javanen. De film gaat verder, waar het boek op moest houden: na een studie in Delft treft Johan in 1947 Oeroeg weer aan in gezelschap van radicale nationalisten, vermoedelijk "pemuda'-jongeren. Er is nauwelijks meer een gespreksbasis, laat staan dat de vanzelfsprekende vertrouwdheid, de even symbiotische als hiërarchische relatie tussen blank en bruin, nog teruggevonden kan worden. De Nederlander, die zich in de tropen meer thuis voelt dan in de polder, twijfelt of dit land nog van hem is. De lezer van nu weet wel zeker van niet.

Daarom vertelt de film nog een ander verhaal. Dat verhaal gebruikt het idyllische, gemeenschappelijke verleden van Oeroeg en Johan als flash-backs in het heden van de laatste, een luitenant in de 7 December Divisie. Johan ten Berghe (voortreffelijk vertolkt door Rik Launspach, de ik-figuur uit Bij nader inzien) belandt in Batavia in het gezelschap van naëve Hollandse jongens, die zonder meer geloven dat de Gordel van Smaragd verlost moet worden van terroristen, opgehitst door de Jap en zijn collaborateurs. In dat rare land, waar ze gebakken banaan eten en douchen met een pannetje, worden die onder Colijn opgegroeide kaaskoppen ook nog eens geconfronteerd met gruwelen, die niet onder lijken te doen voor wat zij eerder waar konden nemen van de veel beschaafdere Duitsers. Hylkema en Van de Velde bedachten een rijk scala aan Nederlandse karakters: de geborneerde koloniaal, de dromerige planter, de zich met de vrijheidsstrijders engagerende idealist, de sadistische sergeant-majoor, de verbaasde soldaat, de gezagsgetrouwe majoor, de kolonel die zijn best doet om rapporten over martelingen bij verhoren in de doofpot te stoppen, en daarmee aantoont dat de "excessen' op z'n minst van hoger hand gedekt werden. Het knappe van dit scenario is dat voor elk van de personages, ook de "slechte', begrip getoond wordt. Die ruimhartige benadering maakt de akelige waarheid zelfs verteerbaar voor de veteranen, die tot voor kort nog niets wilden weten van mogelijke "tendentieuze' geschiedschrijving.

De motor in dit verhaal is het verlangen van Johan naar de reconstructie van de symbiose met Oeroeg en dus met Indië. In een fraai bedacht, symbolisch einde, wanneer beiden elkaar eindelijk, onder merkwaardige omstandigheden weer tegenkomen, wordt die hoop definitief ontmaskerd als een utopische illusie. De verwijdering tussen beide hoofdpersonen is dan, in de flash-backs, al zorgvuldig voorbereid en opgebouwd.Hoe groot mijn waardering ook is voor de didactiek en de nuance in Hylkema's Trauerarbeit, nogmaals: een nuttige en noodzakelijke bijdrage aan de nationale geschiedschrijving, in filmisch opzicht stelt Oeroeg enigszins teleur. Voor een emotioneel zo zwaar beladen film is Oeroeg merkwaardig kil en afstandelijk. Het blijkt nog niet mogelijk om de maatschappelijke, politieke, militaire en psychologische ontwikkelingen in dit op fictie-niveau nog nauwelijks geëxploreerde drama anders dan in schematische contouren neer te zetten. Johan komt thuis met zijn rapport van de lagere school. “Heel mooi, zelfs een zeven en een half”, zegt zijn vader (ook heel adequaat gespeeld door Jeroen Krabbé). Oeroeg weifelt in de deuropening en Johan moet zijn vader er op wijzen dat zijn vriend ook een rapport heeft gekregen. “Zoooh, een tien voor rekenen, Oeroeg? Dan kun jij later mooi boekhouder worden, als Johan de plantage overneemt”, prijst de vader welgemeend de prestatie van zijn ondergeschikte.

De film wemelt van zulke, al te nadrukkelijke visuele en verbale onderstrepingen. Het feit dat alle dialogen vanwege de moeilijke omstandigheden tijdens de opnamen nagesynchroniseerd moesten worden, zodat de geluidsband bovenop de handeling geplakt lijkt, versterkt de indruk van geringe souplesse en spontaniteit.

Ook in produktioneel opzicht wekt de Nederlands-Belgisch-Duits-Indonesische coproduktie Oeroeg voornamelijk plichtmatige bewondering. Het budget van acht miljoen gulden, of de wetenschap dat alle acteurs tijdens de opnamen aan buikloop leden, zeggen uiteindelijk niets over de kwaliteit van de film.

In 1983 debuteerde Hylkema als speelfilmregisseur met De mannetjesmaker, een bijna documentaire reconstructie van de affaire-Ben Korsten, de KVP-adviseur uit de jaren zestig, die door zijn machinaties de op consensus gebaseerde macht van de naoorlogse politici veilig trachtte te stellen. Hoewel dat een film van veel bescheidener ambitie was, vertoonde De mannetjesmaker al hetzelfde euvel als Oeroeg: de moedige poging om op politiek correcte wijze het mechaniek van de Nederlandse machtsverhoudingen bloot te leggen, strandde op een gebrek aan filmische diepgang. Zo valt ook niet te verwachten dat buitenlandse filmliefhebbers op dezelfde wijze als wij onder de indruk zullen komen van de ontmaskerende betekenis van Oeroeg. Hoe schokkend voor ons de beelden van een Indisch "My Lai' ook mogen zijn, ze ontberen universele zeggingskracht. Voor zo'n boven de historische betekenis (die in het geval van Oeroeg ongetwijfeld op detailpunten aangevochten zal gaan worden) uittorenende film over Nederlands-Indië is het waarschijnlijk nog te vroeg. Met deze film kunnen we voorlopig, als schot voor de boeg, heel tevreden zijn.