"Dit is geen land van samenzweringen meer'; Roemenië: vechten tegen een imago

DEN HAAG, 9 JUNI. “Als ik ergens hoofdpijn van krijg, dan van het vechten tegen het slechte imago van Roemenië. Hoofdpijn genoeg, hoor - van ex-Joegoslavië, dat is hoofdpijn, politiek, economisch en militair. Maar het vechten tegen dat imago slaat alles.”

Teodor Melescanu is minister van buitenlandse zaken van Roemenië, een jurist, een forse, beweeglijke man van vroeg in de vijftig met grijs haar en een expressief gezicht - een nieuw type in de Roemeense diplomatie na de kille, doorgaans gereserveerde en bij wijlen agressieve goedpraters-van-wat-fout was van vroeger tijden.

Het is, als we het over dat imago hebben, vechten tegen de bierkaai, zegt Melescanu, want Roemenië mag zich netjes gedragen, de perceptie is vaak anders: het heeft het ergens onderweg vreselijk verbruid. “Dat imago is er ook niet zomaar gekomen. De revolutie van 1989 was gewelddadig. In andere landen was de revolutie van fluweel, in Tsjechoslowakije leek de revolutie wel een zaak tussen gentlemen. Bij ons werd geschoten. Daarna kreeg je het optreden van de mijnwerkers in 1990, de etnische botsingen van Trgu Mures. Het vestigde de indruk dat Roemenië een gewelddadige en oncontroleerbare samenleving is. Er was het probleem van de gehandicapte kinderen, dat werd voorgesteld als een typisch Roemeens probleem - wat het niet was. Je had de kinderhandel, zwangere Roemeense vrouwen die door Westerse criminele organisaties naar een buurland werden gehaald, daar na de bevalling een smak geld kregen, waarna de kinderen verdwenen en wij de kwade autoriteiten van dat buurland op ons dak kregen. Dat alles heeft ons imago gevormd: een onveilig land, Roemenië.”

Het veroorzaakt nogal wat schade, zegt Melescanu, want investeerders komen niet naar een land dat onveilig heet te zijn. Hetzelfde geldt voor de politiek: het bemoeilijkt de integratie in Europa: “Je kunt met zo'n reputatie niet verwachten dat de lidstaten van de EG en de Raad van Europa zomaar belangstelling opbrengen je bij hun club te willen halen.”

Roemenië maakt het de buitenwereld natuurlijk ook niet altijd even makkelijk. Als op één en dezelfde dag in Straatsburg uitgerekend Adrian Paunescu, ooit de ergste van alle hofdichters van Ceausescu en nu parlementslid voor een extreem-nationalistische partij, als lid van een officiële Roemeense delegatie het Europees Parlement toespreekt, en tegelijkertijd thuis in Roemenië uitgerekend Doina Cornea, de luidruchtige maar algemeen hooggeachte dissidente uit Ceausescu's tijd, formeel in staat van beschuldiging wordt gesteld wegens pogingen tot omverwerping van de staat, vraag je je af of Roemenië het verkeerd wil doen.

Melescanu: “Dat klopt niet. Wat Cornea betreft - als een rechter of procureur iets onderneemt, is dat zijn zaak. Hij krijgt daar geen opdracht toe. Vroeger wel. Nu niet meer. Ik kan het oneens zijn met hem, maar het is zijn zaak. Roemenië is geen land van samenzweringen meer.”

“En wat Paunescu betreft - die maakt, of we dat leuk vinden of niet, deel uit van het politieke toneel. Hij vertegenwoordigt nu eenmaal een stroming in de Roemeense politiek. We hoeven van Roemenië geen oneerlijk beeld op te hangen. Daar hebben we niks aan. Paunescu is er, dat is de werkelijkheid, en die werkelijkheid moet je niet mooier maken.”

Het geldt ook, zegt hij, voor de extreem-nationalistische burgemeester van Cluj, Gheorghe Funar, de man die met zijn anti-Hongaarse gestook het Roemeense imago aardig wat schade toebrengt. “Natuurlijk doet hij dat. Maar wat kunnen we doen? We kunnen als overheid maar twee dingen doen: we kunnen ons van hem distantiëren en we kunnen hem voor de rechter brengen als hij illegale dingen doet. Maar de tijd is voorbij dat we hem kunnen verwijderen. Gheorghe Funar is een democratisch gekozen leider. En als democratisch gekozen leider verdient hij ons respect.”

Op officieel niveau klaagt Melescanu trouwens niet over gebrek aan begrip van het buitenland: dat begrip groeit, zegt hij. “De buitenlandse media behandelen ons slecht, maar op officieel niveau krijg ik hooguit vragen over bepaalde problemen, geen verwijten.”

En natuurlijk worden er in Roemenië fouten gemaakt, geeft hij toe: “Sommige Roemeense functionarissen kunnen je idiote dingen wijsmaken.” Overal elders in Oost-Europa is de overgang naar het nieuwe fatsoen makkelijker. “In Tsjechië, in Polen, in Hongarije is wat de communisten hebben uitgehaald geen halsmisdrijf geweest. Daar hebben ze tenminste nog wel iets goed gedaan. In Roemenië is het anders gelopen, daar is op vijf of zes mensen na een hele politieke klasse verdwenen en vervangen door een nieuwe. En die nieuwe klasse heeft geen enkele ervaring en moet het allemaal al doende leren. Dan worden er fouten gemaakt. Die fouten zijn de prijs die we voor de transformatie betalen.”

Nog een aspect van dat image problem: Roemenië, zo lijkt het soms, wordt door het internationale zakenleven nogal eens gezien als een land waar je ongestraft je ergste rommel kwijt kunt. Westerse bedrijven sturen er hun beschadigde of thuis afgekeurde spullen heen. Soms gaat het verder: de Amerikanen stuurden een scheepslading vergiftigde mais, de Chinezen verkochten de Roemenen voor consumptie ongeschikte suiker, de Duitsers probeerden in Roemenië gevaarlijk chemisch afval te dumpen. Roemenië als vuilnisbelt.

Melescanu: “Natuurlijk, en voeg er de handel in kinderen maar aan toe. Er zijn mensen die proberen ons uit te buiten. Ze maken misbruik van onze onervarenheid. Daar zijn we zelf bij, het zijn onze fouten. Maar we leren. Het hoort erbij.” Hij buigt zich voorover en zegt samenzweerderig: “En aan de andere kant krijgen we van de Westerse ministers van milieu ook wel tips, hoor, over de trucs waarmee zulke bedrijven proberen ons om de tuin te leiden. Het maakt allemaal deel uit van ons permanent leerproces.”

Melescanu is een optimist: uiteindelijk, zegt hij, zal het allemaal lukken. Hij is, anders dan zijn collega's van Polen, Tsjechië en Hongarije, ook niet ontevreden over de wijze waarop de EG zijn land tegemoet treedt. Maar hij is wellicht wat bescheidener of realistischer dan die collega's, want, zegt hij, het is de Roemenen heel duidelijk dat ze een langdurig aanpassingsproces moeten doormaken voor ze weten weet dat ze de argumenten hebben die nodig zijn om de Roemeense zaak met uitzicht op succes bij de EG te bepleiten. “We hebben er wel vertrouwen in. Er is geen andere weg.” Op de lange duur staat wat Teodor Melescanu betreft de uitkomst vast: “Er zal in de toekomst sprake zijn van een verdeling van Europa tussen het Westen en de ex-Sovjet-republieken. Wij zullen tussen die twee blokken niet alleen worden gelaten. Men zal ons niet laten hangen,” zegt Melescanu. “Roemenië hoort bij het Westen. Er is alleen heel veel geduld nodig.”

    • Peter Michielsen