Zwijgrecht journalisten vraagt wettelijke regeling

Dat mr B.J. Asscher, onlangs feestelijk uitgeluid als president van de Amsterdamse rechtbank, zich tegen de invoering van een wettelijke regeling voor een journalistiek zwijgrecht zou verzetten, wekt geen verbazing. Ook toen twee jaar geleden een eerdere versie van het nu ingediende ontwerp voor een wet op het journalistieke privilege via het tijdschrift Mediaforum de wereld werd ingestuurd, maakte hij in deze kolommen van NRC Handelsblad zijn bezwaren kenbaar. Ook daar poneerde hij de stelling dat de rechter er zonder wettelijke regeling net zo goed uitkwam.

Hij wees daarbij, evenals in zijn artikel van 29 mei op de mogelijheid voor de rechter om een journalist tot schadevergoeding of rectificatie te veroordelen als deze geen bron voor zijn informatie kan of wil noemen. Dat is wat in de Amerikaanse rechtspraak de no source presumption wordt genoemd. Het is een punt waarop Asscher zonder meer gelijk had en heeft. Mede naar aanleiding van zijn reactie is bij de indiening van het definitieve ontwerp afgezien van het opnemen van een belangenafweging in civiele zaken.

Maar daarom is een wettelijke regeling niet minder noodzakelijk. Nu hebben rechters alle vrijheid het journalistieke privilege al of niet te erkennen. Met de - schaarse - uitspraken van de Hoge Raad in de hand zouden zij in beginsel zelfs alleen tot erkenning kunnen overgaan, als er zeer bijzondere redenen voor zijn: een "neen, tenzij' dus.

Het wetsontwerp wil dat omdraaien en een "ja, tenzij' als uitgangspunt nemen. Dat is een keuze die de wetgever moet (willen) maken, en die de vrijheid van de rechter zal reduceren. Niet tot nul overigens, want ook in de toekomst zullen belangen moeten worden afgewogen. De rechter zal daarbij echter van het journalistieke privilege als gegeven moeten uitgaan. Daarin zal de toekomst zich van heden en verleden onderscheiden.

Anders dan Asscher stelt, is wel degelijk aan het belang van het slachtoffer van laster en dergelijk gedacht. Een journalist die een bewering doet en zich uitsluitend beroept op een informant die hij niet kan of wil noemen, gaat onherroepelijk voor de bijl: schadevergoeding of rectificatie. Zijn informant kan echter ongenoemd blijven.

Zo wordt iedereen die daarop aanspraak kan maken, beschermd: het slachtoffer, want dat krijgt genoegdoening, en de bron (als die er is), want die blijft anoniem. Als er echt iets aan de hand is, komt er vaak wel "corroborative evidence', zoals - opnieuw - de Amerikaanse praktijk laat zien.

Asscher concentreert zich in zijn reactie op de civiele kant van de zaak. Gezien zijn jarenlange ervaring als kort-gedingrechter is dat begrijpelijk. Wat hij, wellicht als gevolg daarvan, over het hoofd ziet, is de veel drastischer verandering die het wetsontwerp op het journalistieke privilege voor het strafrect zal betekenen.

Daar wordt het voor het openbaar ministerie alleen door tussenkomst van een rechter nog mogelijk tot inbeslagneming over te gaan van journalistiek materiaal waaruit de herkomst van een informant kan worden afgeleid. Pas bij maatregelen waarvoor een rechter-commissaris zijn handtekening moet zetten, kunnen andere belangen dan dat van de free flow of information ertoe leiden dat foto's, documenten en dergelijke in beslag worden genomen.

Het ontwerp is dan ook vooral van belang voor het strafrecht en voor rechters die minder bekwaam met de media omgaan dan de voormalige president van de Amsterdamse rechtbank. En daar zal het publiek alleen maar baat bij hebben.