Weijers liep voor de muziek uit, en zweeg

DEN HAAG, 8 JUNI. Het leek even de omgekeerde wereld. Een CDA-politicus die korte metten maakt met de wijze waarop de sociale partners de WAO, de WW en de Ziektewet uitvoeren. S.C. Weijers, Tweede-Kamerlid voor het CDA in 1972-1975 en 1975-1989, verscheen gisteren voor de tweede keer als getuige voor de parlementaire enquête over de uitvoeringsorganen van de sociale verzekeringen. Hij trok onverwacht ferm van leer. Maar toen Weijers werd gevraagd wat hij nu daadwerkelijk heeft ondernomen bleef het stil.

De enquêtecommissie hoorde gisteren opnieuw politici. Behalve Weijers traden voor de tweede keer als getuige op A. Nijhuis (Kamerlid voor de VVD in 1982-1990), E. ter Veld (Kamerlid voor de PvdA in 1981-1989, tot afgelopen vrijdag staatssecretaris van sociale zaken) en L. de Graaf (staatssecretaris van sociale zaken 1977-1981 en 1982-1989). De vorige keer - donderdag 27 mei - ging het over de stelselherziening van 1987, gisteren stond de uitvoeringsorganisatie centraal. Daarbij moest ook het huidige Kamerlid van het CDA P.J. Biesheuvel aantreden.

Misschien was Ter Veld nog het openhartigst. Ze gaf toe dat ze vroeger over sommige zaken anders dacht. Ze was soms “naëf” geweest, en ze erkende dat, toen de sociale partners de Gemeenschappelijke Medische Dienst wilden opheffen, er heel wat nodig was “om mijn verstand bij te vijlen”. Ter Veld, met enige spijt in haar stem: “Ik heb lang in de sociale partners geloofd.” Onbedoeld schetst ze van zichzelf het beeld van iemand met meer kennis dan inzicht.

Oud-vakbondsman en oud-parlementariër voor het CDA Steef Weijers kende zichzelf daarentegen sans gêne een voortrekkersrol toe. Had Weijers zich op 27 mei nog beperkt tot gezellig gekeuvel, gisteren stond hij namens het Christen-Democratisch Appel op de bres stond voor een betere uitvoering. Van enige verknochtheid aan de sociale partners was niets te merken.

De bedrijfsverenigingen, zei Weijers, moesten van het CDA al in het begin van de jaren tachtig macht inleveren: het aantal bedrijfsverenigingen moest worden beperkt tot hooguit zes en de uitvoering moest meer regionaal getint worden. Weijers: “Ik vond de lijnen veel te lang. Waarom moest het dossier van iemand in een afgelegen dorp worden beoordeeld in een rokerig kamertje in Amsterdam? Als vakbondsman was me al eerder opgevallen hoe lang het duurde voor mensen wisten waar ze aan toe waren.”

In 1979 pleitte het ambtelijke rapport-Lamers niet alleen voor meer nadruk op de regio maar ook voor een sturend overheidsorgaan omdat de Sociale Verzekeringsraad (SVr) faalde. Volgens Weijers voelde het CDA toen wel degelijk voor een onafhankelijke SVr, sterker nog, de christen-democraten wilden de SVr toen best “opdoeken”. Waarom het CDA dan in 1991 als enige grote partij toch tegen een onafhankelijk toezicht stemde liet Weijers in het midden.

Hoe dan ook, de tegenmacht was groot. Weijers: “Het belang van het bedrijfstakeigene werd groter geacht dan het regionale belang. Dat is nu eenmaal de sociaal-economische folklore van Nederland. De diverse organen waren drukker bezig met de coördinatie van de onderlinge belangen dan met de mensen waarom het ging.”

Zo, die zat. Maar Weijers ging door: “Het was merkwaardig. De sociale partners zaten overal in. Ze zaten in de besturen van de bedrijfsverenigingen, van de GMD, van het GAK, ze zaten in de Sociale Verzekeringsraad en in de Sociaal-economische raad - en toch stuitte je steeds weer op tegenwerking.”

Initiatieven voor een betere organisatie hadden het effect van “zaad op een rotsige bodem”, aldus Weijers. “De steun in de Tweede Kamer voor een indikking van het aantal bedrijfsverenigingen was nul. De PvdA wilde alles via de gemeenten laten marcheren. En de bewindslieden blokkeerden elke verandering.”

In 1982 wilde de toenmalige staatssecretaris Dales alleen de top van de uitvoeringsorganisatie (de SVr) veranderen, niet de bedrijfsverenigingen aan de voet. Weijers was het daar eigenlijk niet mee eens: “Ik zei altijd, we moeten de top veranderen, maar in 's hemelsnaam ook de voet.” Toen commissievoorzitter Buurmeijer informeerde wat Weijers toen als parlementariër had ondernomen bleef het echter stil. Helaas, helaas. Hij kon zich daarvan niets meer herinneren. Maar dat Dales en haar opvolger De Graaf de stelselherziening voorrang gaf boven een verandering van de uitvoering, ja, dat kon hij wel billijken. Bovendien, zo'n staatssecretaris moet nog verder met de sociale partners wirtschaften, nietwaar? Weijers: “Denk maar aan de loonmatiging.”

In mei 1986 nam de Tweede Kamer een motie Nijhuis (VVD) / Bosman(CDA) aan waarin werd aangedrongen op een nauwe samenwerking tussen bedrijfsverenigingen, arbeidsbureaus, sociale diensten en andere partijen. Staatssecretaris De Graaf hield de Kamer aan het lijntje, legde hij gisteren uit. Uitvoering van die motie zou onuitvoerbaar zijn. Wat vond Weijers? “Ach, voorzitter, een mens blijft hopen.” Commissievoorzitter Buurmeijer nam daar geen genoegen mee. Ging de toenmalige CDA-fractieleiding (De Vries - KC) wellicht akkoord met de motie omdat men wist dat die toch niet kon worden uitgevoerd? Weijers reageerde gestoken: “Zo van: ga zo voort mijn zoon? Geen sprake van. Zo gingen we niet met elkaar om.”

Heeft, vroeg het commissielid W.A.F.G. Vermeend (PvdA), de politiek zich neergelegd bij de macht van de andere kant? Weijers: “Als de Kamer een strakke positie had ingenomen waren we verder gekomen. Ik was op dat punt bij de sociale partners niet populair. Ik was de man met het vaandeltje die voor de muziek uit liep.”

Volgens Weijers was bij “een meer effectieve structuur ook een effectiever volumebeleid mogelijk geweest”. De Graaf dacht er anders over: “Met een uitvoering zonder sociale partners was de ontwikkeling van het aantal uitkeringen exact hetzelfde geweest. De forse groei van het volume is niet te wijten aan de sociale partners, maar aan de economische situatie en aan de wetgeving.

Uit het verhoor van Ter Veld bleek duidelijk hoezeer de PvdA lange tijd verdeeld was over de uitvoering. “Binnen de PvdA was er begin jaren tachtig discussie. Lokale uitvoering of via sociale partners. Ik was pro sociale partners.” Anderen, zoals Buurmeijer en voormalig staatssecretaris Dales (1981/1982), legden een grotere nadruk op het gemeentelijk niveau, zodat een directe link met huisvesting, sociale voorzieningen en dergelijke mogelijk werd.

Maar erg urgent vond de PvdA de uitvoeringsorganisatie in die tijd niet. Ter Veld: “Ik concentreerde me op een verbetering van de uitkeringen. Dat had prioriteit. Samen met het terugploegen van uitkeringsgelden voor het scheppen van werk.”

Nijhuis (VVD) had zich verbaasd over bedrijfsvereningen die zeggen dat ze wettelijk geen actief volumebeleid mogen voeren. Nijhuis: “In dit land mag alles tenzij het verboden is. Als bedrijfsverenigingen zeggen dat de wet hen belemmert is dat onzin.”

Biesheuvel (CDA) gaf een originele reden waarom de bedrijfsverenigingen meer inzicht moeten geven in hun kosten. Want, zei hij, dat is ook voor politici belangrijk. “Politici moeten de kosten van allerlei verbijzonderingen weten.”

    • Kees Calje