SER naar de onderwereld

Het kabinet dreigt de hoeksteen onder onze overlegeconomie weg te halen. Het behoeft geen verbazing te wekken dat het dagelijks bestuur van de Sociaal Economische Raad (SER) tegen het voorstel van het kabinet is om de wettelijke plicht voor het vragen van advies te schrappen. In één zin samengevat wordt het nut van de adviesplicht in het advies van de SER als volgt onder woorden gebracht:

“De wettelijke plicht om de SER advies te vragen over belangrijke maatregelen op sociaal of economisch gebied schept voor zowel de overheid als de sociale partners verplichtingen en geeft daarmee uitdrukking aan opvattingen over de wenselijk geachte inrichting van ons maatschappelijk bestel.”

Dit is een sterk argument, omdat bij alternatieven, zoals het reduceren van de SER tot een soort raad van deskundigen zonder werkgevers en werknemers, juist dit element ontbreekt. Het belang van de verplichte advisering is dat de sociale partners zich verplichten tot medewerking aan het beleid waarover zij zich hebben uitgesproken en waarvoor zij dus medeverantwoordelijkheid op zich hebben genomen.

Er zijn allerlei redenen te bedenken waarom het kabinet voorstander is van het schrappen van alle wettelijke verplichtingen voor de rijksoverheid om advies te vragen over beleidsvoornemens. De politiek heeft belang bij versnelling en flexibilisering van het beleid en wetgevingsproces en ondervindt de verplichte advisering van een veelheid van adviesorganen daarbij steeds meer als een blok aan het been.

Vooral als het straks aankomt op het opzetten en uitvoeren van ingrijpende operaties, als de onvermijdelijke verdere herziening van het sociale zekerheidsstelsel, zullen de Haagse politici niet gehinderd willen worden door de verplichte advisering van belangengroepen, die het onderling daarover toch nooit eens zullen worden.

De SER voelt heel goed aan dat dit wel eens het verborgen motief kan zijn om van die adviesverplichting af te komen. De SER waarschuwt dat het maatschappelijk commitment van de partijen afneemt en de - doorgaans niet openbare - lobbies voor deelbelangen zullen toenemen. De voorzitter van de FNV, Johan Stekelenburg, heeft de terugkeer naar een “vecht- en lobbyeconomie” onlangs een kamikaze-actie genoemd.

Hoe begrijpelijk het ook is dat de direct betrokkenen zelf niets voor uitholling van de positie van de SER voelen, ze zullen niet kunnen ontkennen dat er ontwikkelingen zijn die knagen aan de fundamenten van de overlegeconomie. Zo is de functie van het centraal overleg tussen overheid en sociale partners uitgehold door de decentralisatie van de onderhandelingen over arbeidsvoorwaarden. De hoofdrolspelers bij dit overleg geven zelf toe dat de mogelijkheden om centrale afspraken te maken steeds kleiner worden. Daarmee is ook de coördinatie van het beleid op centraal niveau verzwakt. Na 1982 is er dan ook geen centraal akkoord meer tot stand gekomen dat die naam verdient.

De voorzitter van de SER, Th. Quené, ziet een andere functie voor de SER weggelegd: die van klimaatbeheersing. Overheid en de centrale organisaties van werkgevers en werknemers zouden in de komende jaren het klimaat in het maatschappelijk debat kunnen bepalen. Rinnooy Kan, voorzitter van het VNO, ziet de SER meer als een “onderaardse rustkamer waar overheid, werkgevers en werknemers gezamenlijk een strategie kunnen afspreken, waarna de decentrale organisaties zelf aan de slag kunnen.”

Dit beeld komt aardig overeen met dat van de schuilkelderfunctie die de VVD-leider Bolkestein de SER toeschrijft. In beide metaforen wordt de SER naar de onderwereld verwezen. Het valt moeilijk in te denken hoe de SER als ondergronds meditatiecentrum nog als forum voor het discours over het sociaal-economisch beleid kan dienen.

In het advies Convergentie en Overlegeconomie formuleerde de SER de voorwaarden die zouden moeten worden vervuld om de overlegeconomie te revitaliseren. De vordering van de maatschappelijke stabiliteit ziet de SER zelf als een belangrijke overweging om voor een overlegeconomie te kiezen.

De voornaamste functie van dit sturingsmodel is het organiseren van een maatschappelijk draagvlak voor sociale- en economische beleidsmaatregelen. Als dit lukt wordt maatschappelijke polarisatie voorkomen en het evenwicht tussen de partijen min of meer in stand gehouden. Met het vervallen van de adviesplicht zou die functie danig worden uitgehold en zou de SER inderdaad een soort schemerbestaan gaan leiden.

    • A.F. van Zweeden