R.J. 'IN 'T VELD; De "generaal' keert terug

Alleen als hij het hoger onderwijs zou mogen bestieren, wilde prof.dr. R.J. in 't Veld wel staatsecretaris van onderwijs en wetenschappen worden. En dus werd het takenpakket van de minister en de staatssecretaris gewisseld. “Er moesten snel zaken worden gedaan” zegt de woordvoerder van Ritzen over de wisseling. “Het kwam voor Ritzen ook als een verrassing. Maar het lag voor de hand om In 't Veld te laten doen waar hij al veel kennis van had.” Ritzen zal alleen de studiefinanciering behouden en verder het pakket van zijn voormalige staatssecretaris Wallage overnemen: basis- en voortgezet onderwijs.

De "generaal' keert dus terug op het ministerie van onderwijs en wetenschappen. Roel in 't Veld (50), hoogleraar bestuurskunde aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en aan de Leidse Universiteit, was op het departement van 1982 tot en met 1987 directeur-generaal hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, bedacht de OV-jaarkaart voor studenten en reorganiseerde in 1988 als "crisismanager' de informatiseringsbank in Groningen.

In de universitaire wereld wordt voorzichtig positief gereageerd op de komst van de nieuwe bewindsman. Dat het hoger onderwijs nu in handen van een staatssecretaris komt is “een marginaal voordeel”, vindt voorzitter J.K.M. Gevers van de Universiteit van Amsterdam. “Het is niet goed voor de universiteiten om in de politieke frontlinie te staan, wat met een minister eerder gebeurt.” Voorzitter W.C.M. van Lieshout van de Vereniging van Nederlands Universiteiten (VSNU) ziet ook beleidsmatige voordelen van de benoeming van In 't Veld. “Ritzen is er een voorstander van om de bemoeienis van het ministerie met de universiteiten op afstand te houden, maar in de details van beleid merk je daar vaak niet zo veel van. Ik verwacht dat In 't Veld daar veel duidelijker in zal zijn.”

Of de samenwerking tussen Ritzen en zijn nieuwe staatssecretaris goed zal verlopen is de vraag. Eind vorig jaar leverde In 't Veld in een opiniestuk in NRC Handelsblad ongezouten kritiek op het hoger onderwijsbeleid van de minister. “De ontluistering” schreef In 't Veld, ,van het financiële beleid van minister Ritzen is duidelijk zichtbaar geworden. (...) In de afgelopen zeven maanden heeft minister Ritzen meer ingeleverd op het hoger onderwijs dan de totale som van alle grote krimpoperaties in de jaren tachtig.” In 't Veld hekelde het feit dat niet zoals onder Deetman de bezuinigingen zorgvuldig werden verdeeld maar dat er bij Ritzen eenvoudigweg sprake is van “de kaasschaaf in een nieuw jasje”.

De vergelijking met Deetman is pikant want In 't Veld was destijds diens ambtelijk rechterhand. Als directeur-generaal bij Onderwijs en Wetenschappen drukte hij een sterk stempel op het bestuur en de financiering van universiteiten en hogescholen. Zo zeer dat het de buitenwacht niet altijd duidelijk was wie het nu feitelijk voor het zeggen had: Deetman of In 't Veld. De toenmalige onderwijsspecialist van de Tweede-Kamerfractie van de PvdA, J. Wallage, stoorde zich eraan dat Deetman de verdediging van zijn omstreden beleid vaak overliet aan In 't Veld. “Zo komt het misverstand in de wereld dat topambtenaren meer macht of bevoegdheden hebben dan vroeger”, zei Wallage in 1987. Niettemin was het eind vorige week Wallage die op de proppen kwam met In 't Veld als zijn opvolger.

In 't Veld was eerder politiek actief, op lokaal niveau. In de jaren 1970-1974 leidde hij in de gemeenteraad van Leiden de fractie van het PAK (Progressief Akkoord), een samenwerkingsverband van PvdA, D66 en PSP. Dat betekende in die periode: oppositie voeren tegen het college van B en W van KVP, ARP, CHU en VVD. Zijn carrière verliep overigens vooral buiten de politiek en in de wetenschap. Hij werkte 14 jaar bij de Leidse Universiteit, waarvan lange tijd als invloedrijk beleidsambtenaar, werd in Nijmegen hoogleraar bestuurskunde en keerde na zijn ambtelijke periode in dezelfde functie terug in Rotterdam en Leiden.

Begin dit jaar meende In 't Veld dat de vernieuwing van het politieke stelsel impulsen van buiten de bestaande partijen nodig had. Hij maakte deel uit van een groepering rondom de vroegere voorzitter van D66, Zeevalking. In een pamflet uitten de initiatiefnemers hun zorg over het democratische gehalte van de samenleving, waar “machtsbehoud” belangrijker is geworden dan “ideeënvorming”.

Over het huidige kabinet toonde de hoogleraar zich weinig complimenteus. “Het regeerakkoord is wel het slechtste dat er gemaakt is de afgelopen 25 jaar”, zei hij in 1991 in de Volkskrant. “Het is ongelooflijk wat er nu twee jaar later van terecht gekomen is!” Hij meende dat een streven naar een grotere betrouwbaarheid van de overheid zich niet laat verenigen met het huidige type regeringsverklaringen “die even houdbaar zijn als vis”.

    • Hendrik Spiering
    • John Kroon