Pillen in de thee

Op het eerste gezicht lijkt er met mevrouw Fransen weinig bijzonders aan de hand. Zij kon de gedroomde schoondochter van menige ouder zijn. Een gezette, moederlijk uitziende vrouw van begin dertig in degelijke kleding. Haar uitstraling heeft iets geruststellends, en de aanklacht die de officier van justitie voorleest, komt dan ook als een schok, zelfs voor degene die weet wat er vandaag op de rol staat bij de meervoudige kamer van de Utrechtse rechtbank.

Mevrouw Fransen zou in februari van dit jaar een poging tot moord op haar man hebben ondernomen. Ze had hem een overdosis aan kalmeringspillen toegediend, gas in de keuken laten ontsnappen en vervolgens brand gesticht in hun woning. Een buurvrouw zag meneer Fransen halverwege de middag uit het raam van zijn slaapkamer hangen tegen een decor van zwarte rookpluimen. De ijlings gealarmeerde brandweer kon de brand snel bedwingen. Meneer Fransen werd naar het ziekenhuis gebracht waar hij spoedig herstelde.

Meneer Fransen is ook in de rechtszaal aanwezig. Samen met zijn vrouw is hij naar de rechtbank getogen. Mevrouw heeft 56 dagen hechtenis achter de rug, een rampzalige periode voor het gezin met twee kinderen. Meneer Fransen is nog onlangs geestelijk ingestort, de jongste dochter herkende moeder na haar terugkeer niet meer, en de oudste dochter lijdt onder verlatingsangst.

“Wat is er die dag gebeurd?” vraagt de voorzittende rechter, mr. A. Weijsenfeld.

Dat is een heel verhaal, maar mevrouw Fransen kan er alleen over praten in een soort trefwoorden. Zij zegt dat zij zich weinig meer kan herinneren. De feiten weet ze nog wel, ook omdat de politie die er tijdens de verhoren heeft ingehamerd. Maar haar motieven? Die zijn opgelost in de nevels van een verward brein.

Na de geboorte van haar tweede kind, in mei 1992, was mevrouw Fransen in een postnatale depressie beland. Ze had weinig steun aan haar man die door problemen op zijn werk overspannen was geraakt. De volle verantwoordelijkheid voor het gezin rustte op haar schouders. Het escapisme van haar man bracht haar tot wanhoop. Pas toen bleek dat ze veel schulden had gemaakt - ze regelde ook de financiën - begon hij zich met het huishouden te bemoeien. Dat maakte de situatie thuis nòg gespannener.

De dag vóór de catastrofe ging mevrouw Fransen bij haar moeder veertien kalmeringspillen halen. De volgende morgen, omstreeks tien uur, loste ze de pillen op in de thee bij het ontbijt dat ze haar man op bed bracht.

“Waarom?” vraagt de rechter.

“Ik had de bedoeling hem er één te geven. Ik hoopte dat hij dan rustiger werd. Ik kon hem moeilijk om me heen hebben.”

“Veertien is nogal veel.”

“Ik wist dat hij er niets aan over zou houden.”

Terwijl meneer Fransen versuft in zijn bed achterbleef, ging zijn vrouw met de kinderen weg. Ze haalde haar moeder op om boodschappen te doen. 's Middags om half twee keerde ze met haar oudste dochter terug. Ze riep iets naar boven waarop haar man antwoordde dat hij nog even bleef liggen.

“Waarom riep u hem?” vraagt de rechter.

“Precies weet ik het niet meer. Ik wilde aan de ene kant dat hij uit bed zou komen, maar tegelijk had ik graag dat hij rustig bleef.”

“Wat was uw reactie?”

“Ik had op dat moment een boos gevoel.”

“Vervolgens?”

“Dat weet ik alleen nog door de herhalingen bij de recherche. Het was als een film. Ik heb in de keuken de gaskraan losgedraaid.”

“Waarom?”

“Ik weet het niet. Het is me gebeurd. Ik heb er niet bij nagedacht.”

“Volgens de officier wilde u uw man uit de weg ruimen.”

“Daar heb ik geen moment aan gedacht.”

Na haar handelingen in de keuken liep mevrouw Fransen naar de trap naar de eerste verdieping. Er bungelde een rieten papiermandje aan de trap waarin ze een brandende lucifer moet hebben gegooid.

“Volgens mij heb ik het niet aangestoken”, zegt ze nu.

“De brandweer beweert dat de brand bij dat mandje is begonnen.”

“Ik kan het me niet meer voor de geest halen.”

Meteen daarna vertrok mevrouw Fransen met haar dochtertje. Haar man en twee huisdieren liet ze achter. “Op dat moment had ik helemaal geen gedachten”, zegt ze. “Achteraf zeg ik: misschien was het een kreet om hulp. We begrepen elkaar niet meer. En mijn huisarts begreep me ook niet.”

“Maar het is niet de bedoeling geweest om uw man om het leven te brengen?” vraagt mr. Weijsenfeld nog eens.

“Nee.”

“Het is goed afgelopen.”

“Gelukkig wel.”

“U bracht ook uw buren in gevaar.”

“Het is heel erg...ik heb dit nooit gewild...ik ben ontzettend blij dat mijn man begrepen heeft dat ik niks wilde.” Ze barst in snikken uit en de rechter laat een glaasje water halen.

De eerste reactie van meneer Fransen op de dramatische gebeurtenissen was er een van grote boosheid geweest. Maar later had hij tegenover de politie geen voor zijn vrouw belastende verklaringen meer willen afleggen. “U bent bij elkaar gebleven”, constateert de rechter, “en hij heeft zijn fouten toegegeven.”

Volgens de psychiatrische rapportage was mevrouw Fransen in de bewuste periode een radeloze vrouw geweest, gesoleerd en vervreemd van zichzelf. Tijdens haar handelingen op die februaridag had ze het gevoel dat ze er zelf niet bij aanwezig was. In jargon: depersonalisatie. Daarom is zij, volgens de psychiater, toen sterk verminderd toerekeningsvatbaar geweest.

De officier van justitie, mevrouw mr. J. van Spanje, acht een poging tot moord bewezen "gezien de chronologie van de handelingen'. Maar haar toon is mild, ze begrijpt de positie van de verdachte. “Ze zag geen weg meer uit haar bestaan.” Ze wil mevrouw Fransen verder uit de gevangenis houden en eist 270 dagen - met aftrek van voorarrest - waarvan 216 dagen voorwaardelijk. De advocaat, mr. J. van der Velden, houdt vol dat mevrouw Fransen geen poging tot moord heeft gedaan.

“Geen gevangenisstraf meer”, smeekt mevrouw Fransen haar rechters. “Als ik zie hoe mijn man en mijn kinderen dan moeten lijden...”

Ze staat op en haar man loopt naarvoren en sluit haar in zijn armen. Ze laten elkaar niet meer los - niet op de gang en niet op straat als ze het centrum van Utrecht inlopen.

(Het vonnis, twee weken later: voor de poging tot moord: vrijspraak; voor de brandstichting: een gevangenisstraf van 120 dagen (met aftrek voorarrest) waarvan 65 dagen voorwaardelijk; bijzondere voorwaarde: behandeling door het Riagg.)

De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams