It can't happen here

It won't happen here (Hier zal het niet gebeuren) luidt de titel van een boek van de indertijd bekende Amerikaanse schrijver Upton Sinclair (“socialistisch schrijver van bittere zeggingskracht”, zegt mijn Winkler Prins Encyclopaedie), dat in de jaren dertig verscheen. Het dreef de spot met de overtuiging dat dingen die zich toen in het Duitsland van Hitler afspeelden, in Amerika niet zouden kunnen voorkomen.

Nederland ligt aanzienlijk dichter bij Duitsland, maar ook hier wordt veelal met gemak gedacht dat wat bij onze oosterburen gebeurt, hier ondenkbaar is. Solingen bijvoorbeeld. Maar is het zo zeker dat die wandaad - de ergste, tot nu toe, in een hele rij geweldsexcessen - uitsluitend toegeschreven kan worden aan eigenschappen die typisch zijn voor het Duitse volk?

Zeker, dat volk heeft (zoals ieder ander) zijn eigen verleden, waardoor het gekenmerkt is, en dat verleden heeft het gemaakt tot een volk dat, laat verschenen op het toneel der mogendheden (die verspätete Nation noemde de filosoof-socioloog Helmut Plessner het), moeite heeft gehad met het vinden van een eigen identiteit. Inhaaldrift en behoefte aan overcompensatie zijn daar het gevolg van.

Dat was al vóór Hitler zo, maar de twaalf jaren van het nationaal-socialisme hebben al het voorgaande overtroffen. Sindsdien loopt iedere Duitser rond met een gevoel van schuld of althans het besef dat anderen hem die jaren blijven aanrekenen. Normaal is het in elk geval niet wanneer, vijftig jaar na dato, mensen nog altijd menen zich te moeten verontschuldigen of dat van hen verwacht wordt dat ze dat doen.

Maar deze abnormaliteit is slechts een deel van de verklaring van verschijnselen als Solingen. Duitsland is, anders dan andere Europese landen, gedurende ruim veertig jaar na de Tweede Wereldoorlog in tweeën gesplitst geweest, en die verdeling heeft, ondanks het grote succes en de schijnbare normaliteit van West-Duitsland, ook bijgedragen aan het gevoel van onzekerheid omtrent eigen plaats en identiteit.

Ten slotte is Duitsland het Europese land dat de meeste buren heeft. Een zeer liberale wetgeving - waarmee het, na Hitlers rassenpolitiek, zijn goede wil probeerde te tonen - maakte dat aan Duitse kant de grenzen uiterst doordringbaar waren. Daarvan hebben miljoenen gebruik gemaakt. In de tijd van welvaart leverde dat nauwelijks moeilijkheden op; nu het slechter gaat wèl.

Een gemeenschap - nationale of lokale - kan, in een beperkte tijdsspanne, slechts een beperkt aantal vreemdelingen toelaten zonder dat dit pijn of spanning veroorzaakt. Hoe beperkt - dat hangt van vele factoren af, waarvan de economische conjunctuur en de zelfverzekerdheid van de natie de belangrijkste zijn.

Het is mogelijk dat de Nederlandse natie, die zich betrekkelijk goed in haar vel voelt steken, de instroming van vreemdelingen gemakkelijker kan verwerken dan Duitsland. De proef op de som kan pas worden geleverd indien Nederland met proportioneel evenveel immigranten te maken zou krijgen als Duitsland. Vóór dat ogenblik, dat misschien nooit zal komen, kunnen we beter met een zekere terughoudendheid op de Duitse toestanden reageren.

Een briefkaartencampagne waarmee massale afschuw wordt uitgesproken over Solingen lijkt niet bepaald te getuigen van zo'n terughoudendheid. Zeker, die afschuw is gerechtvaardigd en, mogen we tenminste aannemen, ook diep gevoeld. Maar klinkt er ook niet een beetje het behaaglijke gevoel uit van: It can't happen here - zo niet het gevoel van: Heer, ik dank u dat ik niet zo ben als die anderen?

Die vraag staat los van de vraag of zo'n campagne wel effectief zal zijn, ja niet juist, integendeel, averechts zal werken. De “lekker”-reactie - iets wat niet mag juist lekker wel te doen - is bij onvolwassenen een bekend verschijnsel, dat in de jaren '60 en '70 zelfs werd vergoelijkt (als het althans bij links voorkwam).

Ook de verwijzingen naar het gebod der naastenliefde of naar de mensenrechten halen, moeten we vrezen, weinig uit. Niet dat ze onjuist zijn - het tegendeel is waar - maar gaan ze niet uit van een mensbeeld dat ideaal, maar weinig reëel is?

Voor het gebod der naastenliefde geldt dit minder. Immers, het werd verkondigd aan de mens die tegelijkertijd zich ervan bewust was - althans te horen kreeg - dat hij nietig en zondig was. Dat besef leidt op zichzelf eerder tot de terughoudendheid waarvan hierboven sprake was.

De mensenrechten echter stammen uit een tijd die de volmaakbaarheid van mens en samenleving tot zijn grondleerstuk maakte. Daarmee is het begrip niet veroordeeld, maar de laatste jaren hebben ons eraan doen twijfelen of de waarden van de Verlichting wel een afdoende antwoord zijn op oerinstincten - of die nu in ex-Joegoslavië dan wel Solingen losbarsten.

Minister Pronk heeft onlangs gezegd dat noch het sociaal-democratisch noch het liberaal recept - en beide zijn produkten van de Verlichting - erin geslaagd is zijn pretentie waar te maken conflicten binnen de samenleving te kunnen overwinnen. Hij heeft gelijk, en het siert hem dat hij zich niet aanmatigt nu te weten wat wèl het recept is.

Deze bescheidenheid zij een voorbeeld - ook voor deze rubriek, die niet wil pretenderen de oplossing te weten. Aan de oplossing dient in elk geval de analyse vooraf te gaan, en de analyse is niet gediend met zelfgenoegzaamheid. Zij houdt ook bereidheid tot zelfanalyse in.