Estland: een land nog taaier dan het taaiste riet

De geschiedenis van Estland leest als een tragisch heldendicht. Door uitroeiing, deportatie en een bewust gestuurde steeds groeiende toevloed van Russen is het in feite een ander land geworden.

De eerste Est die ik ooit ontmoet heb is een dichter, Jaan Kaplinski. Hij is een grote man met een schuwe lach. Zijn Poolse vader is, toen de dichter nog maar een kind was, in een Stalinistisch werkkamp verdwenen, hij heeft Romaanse talen en mathematische lingustiek gestudeerd en doceert aan de Universiteit van Tartu. Zijn poëzie is in het Engels vertaald, hij houdt zich bezig met het Mahayana Boeddhisme en is lid van het Estlandse parlement. Alleen al door naar hem te luisteren besefte ik dat wij vrijwel niets weten van deze landen. Wij ontmoetten elkaar op een symposion over vertalingen in Norwich, waarbij we gedichten in onze wederzijdse, voor de Engelse aanwezigen zo eigenaardige talen voorlezen. Dat heeft altijd iets wonderlijks, wat je zegt heeft voor jezelf betekenis, maar tegelijkertijd weet je dat dat voor de luisterenden niet zo is, Ests en Nederlands klinken als vreemde zingzang waar de golfslag van het metrum doorheen waaiert, pas als de vertaling wordt voorgelezen krijgt de compositie zijn volledige betekenis. Estisch, eesti, hoe klinkt het? Mooi klinkt het, als hij het voorleest, langgerekte woorden, zangerig, iets van wind zit er in, alsof ze van ver komen, meer met land dan met stad te maken hebben.

Als ik naar de tekst kijk zie ik veel dubbelklanken en umlauts, äa, üu, en ik hoor dat er tussen dat soort tweelingen steeds een lichte caesuur valt. De woorden zelf lijken aan elkaar vast te klitten, hun lettergrepen bij elkaar te willen houden, als ik ze zelf probeer uit te spreken merk ik dat ik daarvoor iemand anders zou moeten worden. De stem van Kaplinski moduleert zacht, er is een suggestie van iets zeer ouds, de zinnen zijn lang, ze spinnen vormen van betovering in het kleine zaaltje:

Woorden zetten hun eerste stappen op de duisternis van witte bladzijden waar geen schaduwen zijn, geen diepten, geen afstanden, tot er iets heel nieuws geboren wordt, dat past bij het Noorderlicht en zilverbesterde hamerslagen klinken door een diepe slaap....

“Je moet een keer naar Estland komen”, heeft hij gezegd. Nu het toeval me naar Finland gebracht heeft is hij er niet, maar ik ga toch. Op de kaart heb ik gezien hoe dichtbij het ligt, er gaan dagelijks schepen die er maar een paar uur over doen om de Finse Golf over te steken. Het is dan ijzig koud in Helsinki, een kou van het oosten en het noorden tegelijk, bars en snijdend, maar de zon schijnt op het zinkkleurige water, en ik blijf zo lang mogelijk aan dek. De Finnen binnen, die de winkels in Tallinn leeg gaan kopen, zetten het op een zuipen, er is nergens een rustige plek, dus ik laat me maltraiteren door de gemene rafels van de wind en zie hoe hun lage hoofdstad langzaam verdwijnt. Kleine eilanden van gladde rotsen die nauwelijks boven de golven uitkomen, een vuurtoren, de loods die van boord gaat en op een ander klein eiland een binnenkomend schip afwacht in een fort dat gebouwd lijkt tegen ijs en poolwind, en dan niets meer, een wijd, schitterend oppervlak, het andere land aan de overkant nog inzichtbaar, gecamoufleerd in de schutkleur van de lucht die de kleur van het water is.

Nog geen negentig kilometer is de oversteek, maar het land doet alsof het er niet is, te veel schepen zijn er in de laatste duizend jaar gekomen om te veroveren, te brandschatten, plunderen, onderwerpen. Meeuwen vliegen met het schip mee, af en toe krijsen ze oorlogsgeluiden die bij de ijzeren zee horen waarover Finnen en Russen, Denen en Zweden geheerst hebben. Strabo wist nog niet of er iets lag, en als er al iets lag, wie er dan woonde: “heel het land voorbij de Elbe dat bij de oceaan (hij bedoelde de Baltische Zee) ligt is ons volledig onbekend... de Romeinse schepen zijn nooit voorbij de monding van die rivier gevaren, en er is ook geen reiziger die de kusten van de oceaan over land onderzocht heeft. Wat voor volkeren wonen er toch voorbij het land van de Germanen en hun naaste buren?”

Tacitus is al een stuk verder, hij kent zelfs de naam van die volkeren. Aestii en Fenni noemt hij ze tegen het einde van de eerste eeuw. Zijn kennis komt van handelslui en vrachtvaarders die aan heel Europa voorbijvoeren om in die vreemde streken het goudkleurige amber te halen. De anders zo strenge observator hult ze in legenden “Zij aanbidden de Moeder der Goden, en als symbool van deze eredienst dragen ze het zinnebeeld van een everzwijn dat dient als schutsengel in de plaats van wapens, zelfs omringd door vijanden is de drager die de godin vereert, volkomen veilig. De Aestii strijden weinig met ijzer, eerder met knotsen. Ze verbouwen graan en fruit met meer geduld dan hoort bij de gebruikelijke luiheid der Germanen. Ze onderzoeken en exploiteren de zee, en als enig volk winnen ze barnsteen, dat zij glesum noemen: ze vinden het tussen de rotsen en soms aan de oevers.”

Latere historici weten meer, maar de toon is gezet: die van een onafhankelijk volk dat ooit uit het Oosten langs de grote Russische rivieren is aan komen zetten. Hun taal hoort bij de (Baltisch-Finse) groep van Fins-Oegrische talen, is nauw verwant met het Fins en heeft een verre relatie met het Hongaars - merkwaardige, gesloten talen die niet aangesloten zijn op het Europese net, een eigen wereld die het hard te verduren krijgt. Sommige landen liggen, lijkt het, op de verkeerde plaats, zijn het natuurlijke wingewest voor andere, grotere groepen, hun landkaart verschuift voortdurend, ze krimpen en zwellen, horen dan bij het ene, dan weer bij het andere imperium, ze worden onder de voet gelopen, betwist, en het is een wonder dat de eigen taal het uithoudt samen met de wil om zich niet te laten platwalsen.

De geschiedenis van Estland leest als een tragisch heldendicht. Baltische baronnen, Deense bisschoppen, Teutoonse ridders, Poolse koningen, Zweedse veldheren, iedereen had er wel iets te zoeken, de Duitsers, die zo vaak terug zouden komen - de laatste bezoeker was Hitler - begonnen al in de dertiende eeuw; toen ging het om religieuze expansie, maar godsdienst komt nu eenmaal nooit alleen. De Esten werden bekeerd tot het christendom en hoorden van dat ogenblik bij dat wat wij gewend zijn Europa te noemen, maar ze werden ook onderworpen, niet alleen als land, maar ook letterlijk als mensen: in de vijftiende eeuw werd de lijfeigenschap gentroduceerd die tot aan het eind van de vorige eeuw zou blijven bestaan. De overheersers kwamen en gingen, de slaven hoorden eenvoudigweg tot de buit. Tot in deze eeuw dansen de noordelijke naties hun krijgsdans om het land dat iets groter is dan Nederland, vanaf 1710 hoorde het tot het Russische imperium, verkocht door een Baltisch-Duitse aristocratie die tot elke prijs haar privileges wilde behouden.

Het is een tijd van rampen. Oorlog, hongersnood, de pest gaan over het land, de bevolking dreigt uit te sterven, op een gegeven ogenblik zijn er nog maar 140.000. Pas als de lijfeigenschap wordt afgeschaft gaat het iets beter, maar nog steeds mochten de boeren geen land in eigendom hebben. Het gevolg was een vlucht in opstandige, religieuze sekten en die andere vlucht in de emigratie, meestal naar Amerika. Industriële revolutie en tegelijkertijd russificatie, en als reactie daar weer op een stijgende bezinning op het eigene, de taal die zich niet had laten uitroeien herovert langzamerhand terrein, en in de grote verwarring van de Russische revolutie ziet Estland zijn kans; op 24 februari wordt de Republiek Estland in Tallinn uitgeroepen, maar ogenblikkelijk staat er een nieuwe partner klaar om verder te dansen, Duitsland weigert de nieuwe staat te erkennen. Het neemt het bestuur van het land over, geeft de macht terug aan de Duitse aristocratie. Opnieuw is Estland een wingewest, dit keer voor de Duitsers, maar al in 1919 is tweederde van het land weer onder controle van het nieuwe Sovjetregime. Nu is het erop of eronder: in een paar weken tijd heroveren de Esten hun land, geholpen door Finse en Scandinavische vrijwilligers en de Engelse vloot.

De onafhankelijkheid die op twee februari 1920 dan eindelijk een feit wordt zal precies negentien jaar duren, tot het duivelsverbond tussen Stalin en Hitler er een eind aan maakt en de oorlogsdans weer opnieuw kan beginnen. De legers gaan nog een keer, en dan nòg een keer over het land en dan zijn we aangeland in ons schijnbaar zo statische nu. Maar dan is er iets eigenaardigs gebeurd. Estland heeft een andere bevolking gekregen. Door uitroeiing, deportatie en een bewust gestuurde steeds groeiende toevloed van Russen is het in feite een ander land geworden, zoiets alsof Nederland plotseling voor bijna de helft ontvolkt zou zijn en door een gedwongen immigratie van Duitsers opgezadeld met een minderheid die bijna even groot is als de meerderheid. Zo is de situatie in Estland - en in de andere Baltische republieken - op dit ogenblik. Aan de dans is nog lang geen eind gekomen, want bij die Russischsprekende ”minderheid' (in Tallinn, de hoofdstad, is de balans 53 procent tegen 47 procent) moeten nog de Russische troepen geteld worden die niet naar huis kunnen omdat er daar geen huizen voor hen zijn of werk voor ze is. Misschien is Jeltsin de enige kans op een ”redelijke' politiek, maar toch heeft hij het in Vancouver over de ”mensenrechten' voor de Russische minderheid gehad, en dat dan nog in verband met de troepen die hij als een soort troefkaart achter de hand houdt. Hij kan misschien niet anders, maar het cynisme ligt er, gezien de geschiedenis van deze eeuw, dik bovenop en de meeste Esten zijn er niet gerust op.

Een dag na mijn aankomst is dat het onderwerp van gesprek met Mati Sirkel, germanist, vice-voorzitter van de schrijversbond en vertaler uit het Duits en het Nederlands. Ik heb dan al een avond en een dag door de stad gezworven, bovenstad, benedenstad, en probeer mijn indrukken te ordenen. Verval en verwaarlozing, maar ook opbouw en restauratie, een wereld in overgang, die moet zien klaar te komen met duizend problemen tegelijk. Dezelfde sfeer, anders maar hetzelfde, als in Boekarest en Praag vorig jaar, oude trams, gaten in trottoirs, vervallen, verveloze huizen, karige reclame, de mensen vaak armelijk gekleed, veel in goedkope imitaties van westelijke modes, krakkemikkige auto's, bussen met zwarte dieselwolken, open plekken als wonden in de stad, etalages met schrale goederen.

Hier liggen nog grote plakken vuilgeworden ijs op de straten, de prijzen in de restaurants zijn voor onze begrippen idioot laag, de gezichten van de vele wachtenden op de tramhaltes zijn niet vrolijk onder hun dikke mutsen, en toch, tegelijkertijd zijn er overal voor wie het wil zien, tekens van het nieuwe, borden met prachtig klinkende internationale firmanamen, veel mannen met draagbare telefoons in de hotellobby of op straat, buitenlanders met veelbelovende diplomatenkoffers, nieuwbouw, initiatief. De stad zelf doet een beetje Duits aan, sobere Lutherse kerken met de wapenschilden van Duitse baronnen, een raadhuis dat in een oud Beiers stadje had kunnen staan, torens en vestingen, de vreemde monsters in het park van de graaf von Glehn, smalle, steile, romantische straten met eeuwenoude keien, de grote open ruimte van het Raadhuisplein met zijn strenge, klassieke huizen, het zou allemaal bekend zijn als daar niet, hoog boven de stad, die torens uitstaken met hun zo onmiskenbaar Russische vormen, een grote en vier kleine tegen de hemel getekende uien van de Alexander Newski kathedraal.

Ik vertel Sirkel dat ik erin geweest ben en laat hem de kaarten zien die ik gekocht heb, pure oefeningen in nostalgie: ansichten van de tsaar en zijn zoontje, en dan van dat zoontje alleen, blozend en met kersenrode lippen en een grote bontmuts scheef op zijn kindergezicht: His Imperial Majesty the Crownprince. En natuurlijk kaarten van Sint Petersburg. Ze zijn uit het begin van de eeuw, replica's, de eerste elektrische trams over de Newa, een zonsondergang, officieren op de fiets. Het paste wonderwel bij de biddende vrouwen, de honderden kaarsen, het byzantijnse gezang, de geur van wierook.Hij lacht en vindt dat ik al veel gezien heb in die ene dag. We zitten in het Palace Hotel en hebben een belangrijke zakelijke bespreking. Hij vertaalt een boek van mij dat in vierduizend exemplaren zal verschijnen. Elk exemplaar zal minder dan een paar gulden kosten en de opbrengst voor de auteur is in het totaal honderd gulden. Aan een belendende tafel zit een vertegenwoordiger van Fokker die probeert vliegtuigen aan de Estlandse regering te verkopen, daar gaan andere bedragen over tafel. Sirkel zegt dat hij weet dat honderd gulden een belachelijk bedrag is, maar dat dat bedrag tegelijkertijd duidelijk maakt waar het in deze maatschappij over gaat, leven op het scherp tussen twee waardeystemen. Ik vertel hem over mijn Roemeense ervaringen, over het gevoel van gêne en woede dat je krijgt bij de gruwelijke discrepanties, de Hongaarse vriend die aan de universiteit een paar honderd gulden verdient, de Roemeense componiste die niet kan reizen omdat haar geld in het westen niets waard is, de schrijver die voor een onzinbedrag onzin moet vertalen om in leven te blijven. De ene onvrijheid is voor de andere ingeruild: nu mogen ze reizen, maar meestal kunnen ze het niet, tenzij er een uitnodiging komt. Toch vindt hij dat er vooruitgang is. En de Russen die er nog zijn? Een aantal van hen heeft met de Esten voor de onafhankelijkheid van Estland gestemd, zegt hij. Als beide zijden zich in de hand houden, hoeven er geen grote problemen te ontstaan. Maar de jongere generatie die wil blijven moet wel eesti leren spreken. Zelf spreekt hij een vlekkeloos Engels, de maand die hij onlangs in Amsterdam heeft doorgebracht op uitnodiging van de Stichting voor Vertalingen is hem buitengewoon goed bevallen. “Maar het is een andere wereld.”

Een andere wereld. In een Frans fotoboek zie ik een beeld van Stalin, het ligt op zijn rug in een tuin tussen afval en vuilnis. Een pet valt er bij een standbeeld niet af als het ligt, de hand is naar Napoleontische mode tussen twee bronzen knopen van de veldheersjas gekropen, en wat ik dacht dat een tuin was is het park van Graaf Orloff. De cirkel is rond zou je zeggen, maar wat de liggende man heeft achtergelaten is een bankroet werelddeel, gedesillusioneerde soldaten, verziekte bodem, vervuilde rivieren, vervuilde hersens. De onderworpenen van vroeger hebben een onmogelijke erfenis te beheren gekregen, en een deel van de erfenis bestaat uit hun vroegere meesters.

's Avonds, in de bar van het hotel, wijst een Nederlandse vriend die hier een missie heeft, me op de fijne details. De twee spelers aan de roulettetafel zijn Russen, maar de croupier is een Est en spreekt Engels. De hoeren zijn Russinnen, want de vrouwen uit Estland voldeden niet, wat hij eerder als een compliment voor ze opvat. Het koord dat beneden voor de lift gespannen is die alleen maar naar de hoogste verdieping gaat heeft er mee te maken dat het niet de bedoeling is dat de dames door het hele hotel uitzwerven. En de mannen met de draagbare telefoons en de korte leren jasjes zijn pooiers, niet te verwarren met alle andere heren met draagbare telefoons, want dat zijn zakenlui, de nieuwe rijken. In een land dat opnieuw opgebouwd moet worden, kun je veel geld verdienen, en dat wordt dan ook gedaan. Het is een free-for-all, en de snelle jongens grijpen hun kans. Sympathiek is het allemaal niet, maar al te kieskeurig kunnen ze niet zijn. En van de drie landen doet Estland het voorlopig het best.

Een andere wereld. De volgende ochtend lees ik The Baltic Observer. Vroegere KGB Agenten proberen het hoofd boven water te houden. Estland heeft een stap teruggedaan in de economische betrekkingen met Rusland, Polen en Litouen vergelijken de situatie van hun respectieve minderheden. Een Litouse schrijver is beschuldigd van anti-semitisme omdat hij een opheldering wil over de rol die Litouse joden gespeeld hebben bij de communistische overheersing. En in een andere krant, die Welt,lees ik een interview met de president van Estland, Lennart Meri, alwaar een schrijver en vertaler. “Wij hebben”, zegt hij, “het beste kapitaal dat er in de wereld bestaat: een intellectueel kapitaal, dat in de Europese traditie is opgevoed. En wij hebben een uiterst precieze kennis van Rusland. Estland zal in de toekomst een zeer eigenaardige rol spelen, die een beetje aan Zwitserland, aan Singapore en aan Noord-Europa doet denken. Wij hebben zeer goed geschoolde arbeidskrachten, die nu heel goedkoop zijn. Wij zijn met volle kracht op weg naar Europa, maar niet om Europa aan zijn nek te gaan hangen. Wij willen Europa zeggen wat het doen moet als het Europa wil blijven. () Ik ben er van overtuigd, dat zelfs onder Russische democraten nog steeds de gedachte bestaat dat het Russische rijk in zijn oude vorm, of zelfs nog groter, terug moet komen. () En er zullen in het Westen altijd weer politici zijn, die, net als in München in 1938, de weg naar het appeasement zullen inslaan. Maar dat was de kortste weg naar de Tweede Wereldoorlog. Duitsland, maar ook Frankrijk en Engeland en Polen en vooral Rusland moesten daarvoor een hoge prijs betalen. De Russische kant probeert altijd opnieuw uit hoe vast het geloof aan Europa in Europa nu eigenlijk is.”

Voor mijn vertrek loop ik nog een keer door de stad, lees de langgerekte woorden, hoor om mij heen de taal waarvan ik nu weet dat je, door een toon een fractie langer of korter te laten klinken de betekenis ervan volkomen kunt veranderen, dat er geen lidwoorden zijn maar wel veertien naamvallen.

Met die laatste geheimzinnige wetenschap ga ik weer aan boord. De Finnen hebben hun tassen vol en drommen al samen bij de bar. Ik ga weer aan dek en de terugreis wordt de spiegel van de heenreis: een stad die verdwijnt, een ijzeren, lege zee, de wind als een straf, en de herinnering aan een land dat zich, taaier dan het taaiste riet, na elke vernietiging weer heeft opgericht.

    • Cees Nooteboom
    • J