Bij Police

Een volwassen zeearend herken je aan zijn kop, de kleur van zeem, en staart, zo wit als sneeuw; en verder effen bruin, wel bijna zwart. Dan is hij op zijn minst een jaar of vijf.

Zo eentje kringelt boven de bosrand aan de overzijde van de Baai van Stettin. Je houdt je hart een beetje voor hem vast. De oevers van het haf zijn bezaaid met dode vis, een doodsheid die verwijst naar de raadselachtige chemie van het mensdom - de kunstmestfabriek in een plaats die Police wordt genoemd.

Voor mijn vader was het nog Pölitz.

Mijn vader lag in '40 aan de Maas. Hij heeft het vaak verteld. Dat hij een van de eerste krijgsgevangenen moet zijn geweest. Dat hij als zodanig werd ingezet bij de bouw van een fabriek voor synthetische benzine. Natuurlijk, die fabriek - je ziet het onheilspellend pijpwerk op de horizon.

Aan de andere kant: dat bosgebied, dat bos met de vele zeearenden, lag vroeger in het Duitse Rijk. Het werd op commerciële leest geëxploiteerd. In '45 ging de hele streek in Poolse handen over. Het bos raakte een tijdlang in vergetelheid. Het viel terug in een toestand van moeras en muggen, enorm vijandig voor de mens. Voor de natuur een buitenkans. Dus zonder de conferentie van Jalta waren die zeearenden er niet geweest, lang niet allemaal in elk geval.

In elk verhaal steekt wel een oorlogsverhaal. Dat blijft nog eeuwen zo.