Bezuinigingen bijten

Het is nog steeds recessie in Italië, maar hier en daar is al een lichte opleving zichtbaar. Tegenover een dalende koopkracht en een dalende binnenlandse vraag staat bijvoorbeeld een duidelijke stijging in de export.

De bezuinigingsoperaties die vorig jaar zijn begonnen en onder het nieuwe kabinet onverminderd zullen worden doorgezet, beginnen te bijten. Omdat vorig jaar de overgebleven restjes van het systeem van automatische prijscompensatie zijn afgeschaft en vakbonden en werkgevers nog geen overeenstemming hebben bereikt over een nieuwe vorm van inflatiecorrectie, blijven de lonen achter bij de inflatie. Het Istat, het Italiaanse bureau voor de statistiek, heeft becijferd dat in de particuliere sector de lonen in de periode van maart 1992 tot maart 1993 1,3 procent minder zijn gestegen dan de inflatie. Dit heeft er ongetwijfeld toe bijgedragen dat de prijsstijging beperkt is gebleven. Vorige maand lag de inflatie op jaarbasis rond de vier procent. Verwacht wordt dat die op dat niveau blijft.

Verkopers van huishoudelijke artikelen, elektronische apparaten, boeken en auto's merken in hun omzet dat gezinnen minder te besteden hebben. De omzet in elektronica is met ongeveer 2 procent gedaald. Boekhandelaars, die vrijwel volledig afhankelijk zijn van de thuismarkt, verkopen ongeveer vier procent minder. En de autoverkopen dalen dramatisch: in de eerste vier maanden van dit jaar zijn in Italië 19,5 procent minder auto's verkocht dan in dezelfde periode vorig jaar, een sterkere daling dan in de rest van Europa. Fiat heeft grotere problemen dan buitenlandse automerken, ondanks het voordeel van de devaluatie van de lire, en heeft op zijn thuismarkt verder terrein verloren. Het marktaandeel van de Fiat-groep (Fiat, Alfa Romeo, Lancia) in Italië bedraagt nu 43,5 procent.

Betrouwbare cijfers over de omzet van de duizenden kleine winkeliers zijn niet beschikbaar, maar die moeten het moeilijk hebben. Veel Italianen stappen voor hun levensmiddelen noodgedwongen van hun geliefde, maar dure buurtwinkel over naar de veel goedkopere supermarkt. De omzet van de grote warenhuizen is in een periode van twaalf maanden met 21 procent gestegen.

Volgens het Instituut voor sociaal onderzoek IRS is het voor het eerst sinds de oorlog dat de consumptie een reële daling vertoont. In eerdere periodes van crisis waren wel de investeringen gedaald, maar niet de consumptie. Voor dit jaar wordt een achteruitgang verwacht van ongeveer één procent. De binnenlandse vraag, waarbij behalve de consumptie ook de investeringen zijn inbegrepen, zal naar verwachting dalen met 1,5 tot twee procent. Hoewel ook voor volgend jaar nog een netto daling van de koopkracht wordt voorzien, met 0,7 procent, is de verwachting dat dan de consumptie weer zal aantrekken.

Ondanks deze sombere cijfers wordt voor dit jaar nog een kleine stijging van het bruto nationaal produkt verwacht, al is het maar met 0,2 procent. Dat komt vooral doordat de export aantrekt, geholpen door de waardedaling van de lire. De handelsbalans met de niet-EG-landen was in april positief. De import is met 14,5 procent gestegen vergeleken met een jaar daarvoor, maar de export is 44,9 procent gestegen. Vooral de metaal en textiel hebben geprofiteerd, met afzetverhoging van respectievelijk 42 en 39 procent. Deze stijging van de export compenseert de duurder geworden energie, die voor rond de negentig procent moet worden gemporteerd.

Veel economen zeggen dat Italië alle kaarten op de export moet zetten om uit de recessie te komen. De rentedaling heeft het bedrijfsleven wat lucht gegeven. Maar de binnenlandse vraag zal nog geruime tijd onder druk blijven staan van de bezuinigingsoperaties die nodig zijn om het begrotingstekort onder controle te brengen. De nieuwe gouverneur van de Italiaanse Centrale bank, Antonio Fazio, heeft gewaarschuwd dat in de nieuwe begroting zeker zoveel moet worden bezuinigd als in de begroting van dit jaar, wil de regering werkelijk proberen het begrotingstekort in de buurt te brengen van de richtlijnen die de Europese Gemeenschap hiervoor heeft opgesteld. Nu is de totale staatsschuld nog 110 procent van het bruto nationaal produkt en kampt Italië met een begrotingstekort van 11 procent. Daarom zegt de werkgeversorganisatie Confindustria dat de werknemers de komende tijd genoegen moeten blijven nemen met een loonstijging die onder de inflatie ligt, dus met een reële koopkrachtdaling. Juist de beheersing van de loonkosten is een essentiële factor geweest in het omlaag brengen van de inflatie.

Vraag is alleen hoelang de vakbonden dit blijven accepteren. Bij grote delen van de bevolking is nauwelijks een verandering in leefpatroon zichtbaar. Veel vrije beroepen betalen nog steeds vrijwel geen belasting. De controle is wel verscherpt, maar het zal geruime tijd duren voordat dat echt effect begint te krijgen.