Trompetters marcheren weer op de fiets

DEN BOSCH, 7 JUNI. De soldaten van het trompettercorps van de cavalerie hebben zich zaterdag met moeite in de uniformen van vroeger gewurmd. Al fietsend over de binnenplaats van de Isabellakazerne in Den Bosch spelen zij "Tulpen uit Amsterdam', ter gelegenheid van de dertiende reünie van militaire wielrijders. “Het is niet veel soeps, hè”, zegt L. Knoops (74), die vandaag al zijn onderscheidingen heeft opgespeld. Geamuseerd kijkt hij naar de rommelige reconstructie van het "marcheren op de fiets'. “En dan hebben zij het nog makkelijk met die terugtrapremmen. Wij fietsten op doortrappers.”

Tevreden kijkt een reünist de kring van ruim tweehonderd oud-militairen rond. Met recht constateert hij dat “de jongens er nog allemaal tamelijk vief uitzien”. Velen van hen verbleven tijdens hun dienstijd in de Isabellakazerne, de voormalige legerplaats van militair wielrijders. Ze behoorden tot de snel verplaatsbare infanterie en werden vooral opgeleid voor het uitvoeren van verkenningsopdrachten.

Wat deze dag steeds weer ter sprake komt, is de tocht naar Rotterdam op 10 mei 1940. Nog diezelfde dag raakten ze in de omgeving van Alblasserdam en Dordrecht in gevecht met de Duitse landingstroepen en parachutisten. “Verder dan de rivier de Noord zijn we die dag niet gekomen”, zegt oud sergeant J. van Hove. “De commandant vond het wel weer genoeg voor die dag. Zijn jongens hadden al veel meegemaakt en bovendien de hele dag nog niets gegeten.” Met grote stelligheid merkt Van Hove op dat die beslissing een grote fout is geweest. “Die commandant had geschiedenis kunnen schrijven. De brug was net klaar en stond nog niet op de Duitse stafkaarten. Aan de overkant lag op nog geen vier kilometer afstand het hoofdkwartier van de Duitsers. Van daaruit werd de aanval op Nederland geleid. Als we toen hadden doorgestoten, was het een hele andere zaak geworden.”

Zittend bij het gedenkteken voor de gesneuvelde wielrijders halen J. van Weert en B. Noordman herinneringen op aan "het rijwiel'. Als ze aan het "gezondheidszadel' denken, voelen ze het nog. “Hàrd”, verzucht Van Weert. “Daar kon je maar beter zo stil mogelijk op zitten.” Nog steeds kent hij alle namen van de fietsonderdelen van buiten. “Tot aan het "ventielstiftstofdopje' toe.” Iedere fiets was anders uitgerust. De hospitaalsoldaat trok bijvoorbeeld achter zijn fiets de kar met medische spullen en op de fiets van de ordonnans zat een speciale beugel voor een mitrailleur.

Met gepaste trots laat J. Molenaar (80) enkele vergeelde foto's uit 1933 zien: een breedlachende jongen in uniform leunt tegen de bar, in zijn hand een glas bier. Molenaar liegt niet als hij zegt dat zijn diensttijd de mooiste tijd van zijn leven was. Hij betreurt nog steeds dat hij geen beroepsmilitair is geworden. “Colijn was in die tijd de baas in Nederland. Bezuinigd moest er worden en militairen waren te duur, die moesten maar worden afgeschaft. Het waren de jaren van het gebroken geweertje, als je begrijpt wat ik bedoel.” Veelbetekenend trekt hij zijn grijze, borstelige wenkbrauwen op.