Tranen

Ik was eens verliefd op een meisje dat van puur geluk huilde en omdat ze het zo lekker vond. Stromen tranen. Eindeloos was de zee van haar geluksverdriet. Nooit in mijn leven heb ik zoveel tranen gezien. Zalig. We lagen in elkaars armen in haar tuinhuisje, omringd door grote kastanjebomen, beschenen door de maan die door de zacht bewegende blâren tevreden op ons neerkeek. Zij vermoedde duidelijk maanzuchtigheid. Mijn blonde meisje bezwoer me dat ze geen verdriet had. Dat ze boven alles gelukkig was. Gelukkig met mij, omdat we zo verliefd waren en daardoor onsterfelijk en eeuwig en daar in dat gouden bed voor altijd zouden blijven liggen blèren, omdat er geen einde aan ons geluk kon komen en helemaal geen einde aan ons. Gloria!

Ik kuste gulzig die dikke, zoute, warme vloed van haar wangen die zich weldra met die van mij vermengde. Dat was in Duitsland toen ik nog jong en knap was. De Duitsers noemen dat, zoals Paul van Ostaijen het opschrijft, "zeenzoecht'.

Zo vaak huil ik niet meer. Ik krijg wel eens een traan in mijn ogen als ik iets liefs zie op straat. Twee mensen die iets hartelijks voor elkaar doen. Een menselijk gebaar waarvan je vroeger niet opkeek of bij stilstond. Twee die elkaar liefhebben ondanks de ellende in de wereld, ondanks de televisiebeelden vol verkrachte moeders en uitgemergelde kinderen die moeten lijden door fanatisme, wreedheid, ingeblazen door nationalistische domheid. Dat God al die mensen mag bijstaan die eens zo zorgeloos van elkaar hielden (Amen, zo kan ie wel weer. Maar ik meen het wel.)

Als kind, als jongetje, huilde je niet gauw. Je moest je tranen "verbijten'. (Ik heb dat een keer zó letterlijk gedaan, dat ik mijn onderlip stukbeet, maar dat vertel ik straks). Je moest altijd een grote kerel zijn. Dat ben ik tot op de dag van vandaag gelukkig nog steeds niet geworden. Je wist je geen raad met de tranen van volwassenen.

Ik had een stoere oom. Met zúlke kleihanden. Die was zo sterk, die kon mijn broertje en mij elk op één hand zo hoog optillen dat we met onze hoofden tegen het plafond aankwamen. Hij zat bij ons in de keuken te snotteren, die grote rooie handen in zijn ogen gedrukt, omdat zijn moedertje van tweeënnegentig die middag was doodgegaan.

Op een novembermiddag in 1951 op de Cocksianenschool met de Bijbel in Groningen werd ik een keer geheel ten onrechte van diefstal beschuldigd. Op weg naar school vond ik in een vensterbank een bijna volle doos Schimmelpennincksigaren. Mijn vader was altijd in een goed humeur als hij heel af en toe een sigaar opstak, dus was ik blij met mijn vondst. In de klas verstopte ik ze zo ongemerkt mogelijk onder de klep van mijn schoolbank. Naast mij zat Luppo van de eierhandel, even vals als achterbaks als ruftzuchtig. Bovenmeester kwam vragen of hij in onze klas misschien zijn sigaren had laten liggen. “Die sigaren heeft Paul gepikt, meester”, zei ongevraagd valse Luppo. “Hij heeft ze in zijn bank verstopt. Ik heb het zelf eerlijk gezien.” Klep open. Sigaren te voorschijn. Bovenmeester constateert dat die van hem zijn. Schimmelpenninck, fijn die ken ik. Voor de klas. Ondervraging door twee meesters tegelijk. Wanneer ik die sigaren had gestolen? “Ik heb ze eerlijk gevonden, meester.” “Op je knieën. Hoofd omhoog. Gij zult niet stelen, staat in de bijbel en helemaal geen sigaren en helemaal nooit die van de bovenmeester. Beken dat je een dief bent die straf verdient.” Ik beken niet. Ik heb ze gevonden. Hand ophouden. Liniaal. Klets. Klets. Klets. Dat hakt er lekker in. Ik me verbijten. Lip kapot. Janken voor de klas waar iedereen bij zit. Leedvermaak. Vernedering. (Later worden meesters sigaren gevonden. Geen reden tot verontschuldiging want ik had mijn sigarenvondst ogenblikkelijk bij hem moeten melden. De sigaren worden geheel legaal geconfisqueerd).

Vanochtend word ik wakker terwijl de tranen over mijn wangen lopen. Ik lig in mijn bed verlaten te huilen zoals ik dat sinds lang niet meer heb gedaan. Ik kan bijna niet meer stoppen en dat hoeft ook niet want ik lig er alleen met niemand naast me. Ik droomde dat ik bij mijn moeder in de keuken zat. Dat ik nog klein ben. Dat ze me door mijn haar strijkt en me een kus geeft. Dat ik weet dat het niet waar is. Dat ik, terwijl ik droom, weet dat ze al zo vreselijk lang, helemaal hartstikke, hartstikke dood is.

    • Jean-Paul Franssens