Straatroof, oervorm van criminaliteit

Criminaliteit wordt een steeds belangrijker thema in het publieke debat. Straatroof is meestal het eerste waaraan mensen denken als het gaat om onveiligheid. Dit is het eerste deel van een serie over criminaliteit in Nederland.

Het was nieuwjaarsnacht 1991. De toren van de Amsterdamse Oude Kerk had, onder het geknal van vuurpijlen, amper twaalf geslagen of op het bureau Warmoesstraat meldde zich een Italiaanse toeriste om aangifte te doen van een beroving door drie "Arabieren', van wie een haar met een mes bedreigde. Ze had voor 35 gulden aan lires moeten afgeven plus een armband. Korte tijd later kwam een Engelsman aan de balie met het verhaal dat hij bij de Dam was aangesproken door twee noordafrikaanse mannen. De ene wenste hem "gelukkig nieuwjaar', de ander rolde zijn portemonnaie en rugzak. Weg waren camera, walkman, cassettes, rijbewijs, credit-cards en zeshonderd gulden. Aan het bureau Lijnbaansgracht kwam intussen een 53-jarige vrouw uit Almere binnenlopen met het verhaal dat tijdens het kijken naar het vuurwerk, een onbekende haar tas met honderdzestig gulden van haar schouder had getrokken. Om twee uur diezelfde nacht liep een 75-jarige Amsterdammer over de Keizersgracht. Opeens voelde hij zich van achteren vastgegrepen. “Vlug geld, anders steek ik door alles heen”, hoorde hij. De man zag dat zijn aanvaller in de andere hand een naald had en gaf snel zijn portemonnaie met 45 gulden.

Aan het bureau Raampoort verscheen even later een jonge man met een buil en een schaafwond. Hij was in de Jordaan door vijf mannen van zijn fiets gesleurd, geslagen en van zijn jas en een portemonnaie met 30 gulden beroofd. Ongeveer op hetzelfde moment werd op de Jacob Catskade, een 40-jarige vrouw door een "noordafrikaans uitziende' man van haar tas beroofd. Zo kwamen die nacht nog acht mensen op een Amsterdams politiebureau vertellen hoe ze beroofd waren. Het waren de eerste processen-verbaal die in 1991 in de hoofdstad zouden worden opgemaakt voor straatroof. Er zouden nog 4500 volgen.

Veiligheid is een schaars goed. De straatrover, de "mugger', de boef die een oud vrouwtje haar tas afpakt, het is ongeveer de oervorm van criminaliteit en het is meestal het eerste waaraan mensen denken als het gaat om onveiligheid. Sinds kort weten we meer over dit altijd wat schimmige en beangstigende grote-stadsverschijnsel. In opdracht van het ministerie van binnenlandse zaken analyseerde de Utrechtse criminoloog Willem de Haan bijna alle aangiften van straatroof in Amsterdam en Utrecht in 1991, en de helft van de processen-verbaal. Bovendien sprak hij met 44 daders en 32 slachtoffers. Uit zijn onderzoek - waaraan bovenstaande voorbeelden zijn ontleend - bleek dat maar bij één op de drie overvallen een wapen werd gebruikt, dat slechts één op de twintig slachtoffers voor letsel naar een dokter moest, maar dat de psychische gevolgen ernstig waren: eenderde van de slachtoffers had na de beroving last van angsten, nachtmerries, huilbuien en hoofdpijnen. Dé straatrover bleek niet te bestaan. Het ging om veel meer delinkwenten dan men altijd dacht en het waren bijna altijd mannen die een repertoire van kleine delicten hadden, waarvan "mugging' een van de minst populaire was.

De realiteit die De Haan schetst, staat in contrast met de verhalen en mythes die rond deze vorm van criminaliteit de ronde doen. Opvallend was bijvoorbeeld de ongelijke verdeling van het risico voor straatroof over de stad. Ongeveer de helft van alle berovingen in Amsterdam werd binnen de grachtengordel gepleegd. de slachtoffers waren hoofdzakelijk buitenlandse toeristen. Een groot deel van de overvallen op bewoners bleek zich te concentreren in de Bijlmer: de gemiddelde Bijlmer-bewoner loopt vier tot vijf keer zoveel risico overvallen te worden als een doorsnee Amsterdammer. Ongunstig bekend staande buurten als de Indische Buurt en Bos en Lommer bleken veiliger dan gemiddeld. Relatief veilig geachte buurten als de grachtengordel en de Vondelbuurt bleken veel onveiliger dan de rest van de stad, terwijl een notoire risico-buurt als de Nieuwmarkt niet onveiliger was dan het gemiddelde - althans voor haar vaste bewoners.

Het schaarse goed "veiligheid' is ongelijk over de stad verdeeld, concludeert De Haan. En die ongelijkheid zet zich voort: de verbetering van de veiligheid voor toeristen in de binnenstad is volgens zijn gegevens ten koste gegaan van de veiligheid in wijken als de Bijlmer. De Haan: “We hebben altijd geleefd bij het idee: de politie beschermt alle burgers. En een succes voor de politie is een succes voor ons allemaal. Dat is niet meer zo. En dat roept, onontkoombaar, vragen op.”

“Het is vrijwel onmogelijk een rationele grondslag vast te stellen van de angst voor "stedelijk gevaar' ”, schreef de stadssocioloog prof. Lodewijk Brunt enige jaren geleden in het blad Justitiële Verkenningen. Het risico om slachtoffer te worden van een verkeersongeluk of een ongeluk in het huishouden is vele malen groter dan dat van een straatroof of een inbraak. Gevaar, schrijft Brunt, heeft vaak geen direct verband met de "objectieve' criminaliteit van buurten, “maar hangt nauw samen met de mate waarin mensen ter plaatse bekend zijn en met de reputatie van degenen die met de betrokken plekken geassocieerd worden.” Hij geeft in zijn essay een aantal voorbeelden van "de sfeer van wantrouwen en angst' waarmee de moderne stadscultuur is vervuld. Aan de hand van "misdaadlegenden' maken stadsbewoners elkaar attent op wat zich in hun omgeving voordoet, hoe ze ongewenste voorvallen en gebeurtenissen zouden kunnen ontdekken en hoe ze zich daartegen kunnen wapenen, aldus Brunt en hij citeert de Engelse onderzoeker Paul Harrison die de Vijf Geboden van de moderne stadsbewoner samenvatte: "Wilt ge nog langer meegaan dan vandaag, dan zult ge vreemdelingen niet aanspreken; ge zult niet opkijken van geschreeuw of brekend glas; ge zult geen vandalen ter verantwoording roepen; ge zult niet toegeven dat ge getuige waart van misdadig gedrag; ge zult slachtoffers van aanranding of rook geen helpende hand bieden.'

Een van de vroegst bekende gevallen van "mugging' in Amsterdam betrof een zekere Mousje Hoenderplukker die zich op woensdag 22 september 1779 bij het uitgaan van de Zuiderkerk met geweld, "zodat de ketting brak', het gouden horloge had toegeëigend van een dame die juist in haar koets wilde stappen. Oudere steden kennen zonder uitzondering een rijke criminele geschiedenis, met name in de zeventiende en achttiende eeuw. Opvallend is dat zich in vrijwel alle westelijke steden in de negentiende eeuw een daling van de criminaliteit heeft voorgedaan, die zich tot diep in de twintigste eeuw heeft voorgezet. In de tweede helft van deze eeuw trad weer een stijging op, die nog steeds aanhoudt.

Over de oorzaken van deze nieuwe criminaliteitsgolf verschillen de meningen. Wat Nederland betreft, wijten sommigen de stijging aan de te grote tolerantie van de jaren zestig, aan het gebrek aan discipline en innerlijke beschaving van de burgers, aan de individualisering en aan het morele verval van de "verwende' lage landen. Anderen houden het bij meer prozasche verklaringen. De Nederlanders zijn de afgelopen dertig jaar rijker geworden, ze omringden zich met allerlei kostbare voorwerpen en gingen daar vaak losjes mee om. Er valt, anders gezegd, in het hedendaagse Nederland meer te gappen dan voorheen en het is bovendien veel gemakkelijker.

Dan was er de opkomst van het drugsprobleem en namen de groepen toe waaruit extra criminaliteit pleegt voort te vloeien: jongeren, tweede generatie immigranten en dergelijke. Daarnaast was er nog een bestuurlijke oorzaak. De Nederlandse justitiële infrastructuur bleek in de jaren tachtig niet opgewassen tegen de criminaliteit die een modern land en vooral een moderne grote stad met zich meebrengt. Mousje Hoenderplukker zou anno 1993 vermoedelijk na een paar uur weer op straat staan wegens het cellentekort.

De publieke aandacht voor deze nieuwe criminaliteitsgolf groeide met de stijging van de misdaadstatistieken, maar het opvallende was dat daar een grote "vertraging' tussen zit. Straatroof was bijvoorbeeld al in de jaren zeventig zeer populair bij "problematische nieuwkomers' die met drugs in aanraking kwamen en in de Amsterdamse binnenstad een ideaal "werkterrein' aantroffen. Toch is de maatschappelijke onrust en de roep om krachtdadige bestuurlijke maatregelen pas iets van de laatste jaren. Hetzelfde is gebeurd met de criminaliteit in het algemeen. De grootste stijging daarvan had plaats in de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig - afgezien van de vermogenscriminaliteit die nog steeds stijgt.

In zijn rapport "Nederland Verandert' wijst de socioloog Geert de Vries op het klassieke gegeven dat verontrusting over criminaliteit vaak relatief onafhankelijk is van de criminaliteit zelf, maar alles te maken heeft met maatschappelijke spanningen. Emile Durkheim schreef dat het straffen van delinkwenten niet zozeer gericht is op de misdadigers zelf, maar op het versterken van de groepsbindingen tussen de niet-delinkwenten. De zorg over criminaliteit duidt volgens dit soort analyses wel op een crisis, maar dan een crisis van een samenleving als geheel. Andere auteurs onderstrepen dat het vaak de omgeving is die bepaalt hoe ernstig een delict wordt opgenomen. In een buurt waar men zich onzeker voelt omdat veel mensen weggaan en veel nieuwelingen komen, kan een reeks straatroven tot grote opwinding leiden, terwijl diezelfde overvallen in een buurt als de Wallen worden gebagatelliseerd als iets "dat er nu eenmaal bijhoort'.

Hoe moet het nu verder met de straatroof? Een nieuwe gap-trend onder jongeren spreekt boekdelen: "arme' veertien- of vijftienjarigen houden een trendy geklede leeftijdgenoot aan, bedreigen hem met een geslepen schroevendraaier en beroven hem van zijn Nike-Air schoenen, zijn "Cita' snorfiets of andere gebruiksvoorwerpen van geliefde merken. In het moderne stadsleven is niet de produktie bepalend, maar de consumptie - en daarin speelt de tegenstelling tussen arm en rijk een centrale rol. Je moet kunnen showen, anders val je erbuiten.

In alle grote Europese steden is het gevaar voor een tweedeling tussen een meerderheid die redelijk comfortabel op het kussen zit en een minderheid die in de marge leeft levensgroot. Een recent rapport van de Europese Commissie spreekt van een gevaarlijk "uitstotingsproces' dat nu al een jaar of vijftien gaande is en dat op den duur nieuwe criminaliteit en andere vormen van maatschappelijke instabiliteit met zich mee zal brengen. Het is een proces dat ook op de straten en pleinen in toenemende mate gevoelens van onbehagen kan veroorzaken. “De angst voor misdaad werkt op zichzelf misdaadbevorderend”, schreef Lodewijk Brunt. Nu al lopen de matinees van de theaters rond het Leidsplein als nooit tevoren, omdat veel oudere theaterliefhebbers 's avonds de straat niet meer op durven. Het publieke domein, kan zich op deze wijze ontwikkelen tot een "dode' ruimte, waarschuwt de planoloog Maarten Hajer. Hij vreest dat de mensen die het zich veroorloven kunnen "met hun rug naar de straat' gaan leven. Ouderen, die vooral in hun woonomgeving beroofd worden, zullen dat na zo'n ervaring zeker doen. Het resultaat zijn de afgestorven openbare ruimtes, zoals die al in de Bijlmer zichtbaar zijn.

Zie de realiteit onder ogen, dan kun je je daar tegen wapenen, is de boodschap van Willem de Haan nadat hij een halve kamer vol straatroof-dossiers had doorgeploeterd. “Alleen angst leidt tot niets. Ik zeg maar altijd tegen mijn bejaarde buurvrouw: Zorg dat je van alles wat je in je tasje hebt afscheid kunt nemen. Dan kan je weinig gebeuren.”

    • Geert Mak