Spoorzoeken

Na een bloemrijke rit door de met bloesem gevulde Rijn-vallei rolt de Lorelei-express Neurenberg binnen.

Op het statio vallen de gebruikelijke drop-outs van autonomen en junks de reizigers niet lastig, je loopt zo die Altstadt in. Ik had me de plaats killer voorgesteld. Je hebt als twintiger eigenlijk maar één associatie met Neurenberg: het Tribunaal. Het zou dus een unheimliche, vormloze stad van beton moeten zijn, maar het tegendeel is waar. Middeleeuws ommuurd en ieder gebouw gerestaureerd met een verbluffende precisie. Nergens graffiti, wel pittoreske deftige winkeltjes: de kapper heet Friseur, de sigarenman bevordert met antieke neonreclame de "Rauchkultur', men flaneert gemotoriseerd per BMW of Ferrarri-cabrio. De waard in de Bierst-berl, met een koddig Beiers accent, ontvangt de vreemdeling allervriendelijkst: "Grüss Gott!' Toch laat het idee van het Tribunaal ons niet los. Ergens moet er toch iets van het Rijk zijn overgebleven? Een herdenkingsteken, sporen van betrokkenheid? Iets lijkt hier niet te kloppen. Tijd voor een kritische stadswandeling.

De enige graffiti op het Albrecht Dürerplein is tegelijkertijd het eerste teken dat naar de oorlog verwijst: "Nie Wieder'. In een souvenirswinkeltje wordt een onthutsender spoor gevonden. Een briefkaart uit Neurenberg, die trots de Hauptmarkt in de Altstadt toont, nu en in 1945. Toen lag hij helemaal in puin, en zo te zien het gebied eromheen ook. Een fototentoonstelling in de dichtstbijzijnde kathedraal bevestigt dat de complete Altstadt is herbouwd. Alsof er nooit een bom is gevallen! Je loopt dus gewoon door een Super-Efteling heen. Stedebouwkundige plastische chirurgie, misschien wel een esthetische oplossing, maar juist hier wil je op een litteken stuiten. Dan zien we een wegwijzer naar het "Germanisches National Museum'. Daar wordt de geschiedenis natuurlijk ontsloten. Het is vlak voor openingstijd. Een juffrouw snauwt haar klas in het gelid: “Kinder! Ga twee aan twee staan! Op mijn teken lopen we naar binnen!”

Iets over tienen volgen we de klas. Meteen om de hoek hangt een groot doek van Phillip Veit uit 1848: een mollige Duitse deerne, "Germania' volgens het bijschrift, die een grote Duitse vlag torst waarmee “de hoop uitgedrukt werd op het herrijzen van het Duitse volk na de vrijheidsoorlogen”. De rest van het museum blijkt gevuld met weinig spectaculaire boerenmeubelen, klederdracht en veel kerkelijke kunst. Er is verdomme niets wat aan het Tribunaal herinnert. Ik zie de schoolkinderen verveeld door de gangen schuifelen. In de zaal "historische muziekinstrumenten' vinden we prachtige violen en een unieke collectie spinetten en vleugels. Op een koptelefoon kan het concert van Mozart op de (tevens opgestelde) glasharmonica worden beluisterd.

Gewend aan de muziek valt het me, als ik verder loop, eerst nauwelijks op dat op de afdeling "bidprentjes' zacht Paul McCartney op de achtergrond klinkt. In een kapel met de houten sarcofaag van Graaf Heinrichs III uit 1247 schalt de danshit "I'm every woman' van Chaka Khan door de ruimte. De ambiance is totaal veranderd. Overal klinkt nu muziek, het hele museum lijkt tot leven te komen. Grijze bezoekers gaan en masse vloekend te keer tegen de suppoosten, maar de intercom blijkt kapot en daar valt kennelijk niets aan te doen. De schoolkinderen begeven zich huppelend van vertrek naar vertrek, dankzij de house-beat is de feeststemming op het schilderij van een 16de eeuws "landknechtgelag' plotseling echt voelbaar. Dat zouden ze ook in ons Rijksmuseum moeten doen, speciale uren kunst kijken met eigentijdse muziek erbij.

Drie nummers verder besluit ik mijn speurtocht naar sporen van het Tribunaal te staken. De oudjes die nu schuimbekkend bij de uitgang staan en de dansende kinderen hebben m'n dag goed gemaakt. Tijd voor een Original Nürnberger Bratwurst.

    • P.W. van Woensel Kooy