Olie blijft dit jaar spotgoedkoop; Stijgende produktie en grote voorraden drukken prijs

ROTTERDAM, 7 JUNI. Olie blijft dit jaar een goedkope grondstof, want de produktielanden willen er nog meer van op de markt brengen terwijl de voorraden momenteel voldoende zijn. Deze week stoeien de olieministers van het Opec-kartel (Organisatie van olie exporterende landen) in Genève over een geringe verhoging van hun gezamenlijk produktieniveau, en vooral over de verdeling daarvan.

Koeweit heeft al op hoge toon een forse uitbreiding van zijn aandeel in de totale produktie van Opec geëist, omdat het emiraat meer geld wil verdienen om de 50 miljard dollar schade van de Golfoorlog te compenseren. De Koeweitse olieminister Ali Al-Baghli dreigde eind vorige maand zelfs dat zijn land Opec zou verlaten als het niet zijn zin krijgt. Maar gisteren heeft ook de Afrikaanse lidstaat Nigeria aangekondigd een groter aandeel van de Opec-koek te willen. Nigeria is met een dagproduktie van 1,8 miljoen vaten ruwe olie ongeveer even belangrijk als Koeweit, maar heeft een veel grotere bevolking, die geplaagd wordt door armoede en economische problemen.

“Sommige landen hebben grotere noden dan anderen”, zei de Nigeriaanse minister Philip Asiodu gisteren bij zijn aankomst in Genève, en hij kondigde aan een gunstige regeling voor zijn land te zullen eisen.

Opec kan zich geen grote produktieverhoging veroorloven om aan de wensen van al zijn lidstaten voor meer inkomsten tegemoet te komen, want een ruim voorziene oliemarkt betekent lage prijzen waardoor de dollarstroom naar de olielanden onnodig onder druk komt te staan. Gezien de eindigheid van de olievoorraden is de prijs van het produkt eigenlijk veel te laag, waardoor het Westen zich goedkoop warm en mobiel kan houden. Terwijl praktisch alle grondstoffen veel duurder werden is de reële prijs (exclusief inflatie) van olie nu lager dan vlak na de eerste oliecrisis in 1973. De olieconsumerende landen verdienen door allerlei belastingen en accijnzen al veel meer aan het produkt dan de produktielanden zelf. De lage prijs werkt als een soort uitnodiging aan Westerse landen om de belastingen op brandstoffen verder te verhogen en nog eens een nieuwe milieuheffing op olie te introduceren.

Opec streeft officieel nog steeds naar een richtprijs van 21 dollar per vat ruwe olie van 159 liter. Maar sinds de Golfoorlog van begin 1991 is dat niveau op geen stukken na gehaald. Vorige maand was de markt zo ruim voorzien dat de gemiddelde prijs van zeven Opec-oliesoorten kelderde van ruim 18 tot 17,50 dollar per vat.

Het Internationaal Energie Agentschap in Parijs en het secretariaat van Opec voorspellen beide voor het derde kwartaal van dit jaar een vraag naar Opec-olie van 24,2 miljoen vaten per dag. Dat is 600.000 vaten meer dan het officiële produktieplafond voor het huidige kwartaal, maar de feitelijke produktie ligt nu al boven de 24 miljoen vaten per dag. Dat niveau kan de markt net aan, want in het derde kwartaal is het olieverbruik altijd wat hoger door een seizoensinvloed: Europeanen en Amerikanen gaan dan massaal per auto met vakantie.

De enige reden om het komende kwartaal het huidige produktieniveau verder te verhogen zou zijn dat deze periode gunstig is voor het opbouwen van nieuwe wintervoorraden. Over die marge, door marktexperts geschat op ruim een half miljoen vaten per dag, zullen de olieministers de komende dagen de degens kruisen. Eén van hen, de Iraanse minister Aghazadeh, heeft echter bij voorbaat al een radicaal afwijkend standpunt ingenomen. Als enige bepleit hij een lager Opec-produktieniveau voor het derde kwartaal om de prijs een steuntje in de rug te geven: 23,65 miljoen vaten per dag in plaats van 24,2 miljoen. Met een dagproduktie van 3,8 miljoen vaten olie is Iran een van de belangrijkste Opec-lidstaten, maar Aghazadeh's standpunt zal weinig steun vinden in Genève.

    • Theo Westerwoudt