Jonge choreografen tonen hun talenten

Choreografische workshops van het Nationale Ballet en de Rotterdamse Dansgroep. Gezien 3 juni in respectievelijk Operastudio Muziektheater en Bovenzaal Stadsschouwburg in Amsterdam.

Bijna alle vaste gesubsidieerde dansgezelschappen bieden hun dansers de gelegenheid hun choreografische ambities in zogenaamde workshops aan een algemener publiek dan collega's, kennissen en vrienden te tonen. Het feit dat die geroepenen en de collega's op wie zij als uitvoerenden een beroep doen zich met enthousiasme begeven in zulke projecten, die vaak buiten hun al overvolle werkschema's gerealiseerd moeten worden, laat zien dat er een duidelijke behoefte aan bestaat. Dat die geroepenen niet altijd tot de uitverkorenen gerekend kunnen worden, doet in wezen minder ter zake. Workshops vormen niet alleen de humuslaag waaruit het talent omhoog kan groeien, zij betekenen ook dat de medewerkenden een andere, nieuwe kant van hun persoonlijkheid en talent aanboren en dat is altijd positief. In de loop van de jaren zijn er uit die workshops verrassende dingen te voorschijn gekomen die geleid hebben tot een nieuwe generatie choreografen die inmiddels hun eigen weg ingeslagen zijn met redelijk tot goed succes, zo niet in Nederland dan toch daarbuiten. Nacho Duato, John Wisman, Jan Linkens, Karin Post, Paul Lightfoot, Philip Taylor en Ted Brandsen zijn de bekendste namen.

In de recente workshops van het Nationale Ballet en de Rotterdamse Dansgroep was de oogst dit jaar niet echt belangwekkend. Bij het Nationale Ballet gaven de werken van Wim Broeckx, Till Schmidt-Rimpler, Johan Greben en Susan Pond, regelmatige workshop-deelnemers, geen opmerkelijke ontwikkelingen te zien, al getuigt wat zij maken van vakmanschap en een zoeken naar eigenheid, waarbij zij het grote voordeel hebben over zeer goede dansers te kunnen beschikken. Of hun talent het workshop-niveau zal ontgroeien staat echter nog te bezien. Bij de Rotterdamse Dansgroep viel het op dat de zeven choreografen een nogal op elkaar gelijkend bewegingsmateriaal gebruikten met veel dynamisch geweld in een losse stijl vol complexe wendingen, vallen en zwaaien waarbij de puntigheid en exactheid in uitvoering en plaatsing in de ruimte flink in het gedrang komen. Zij lijken vooralsnog eerder op zoek naar een hoeveelheid van beweging dan naar een ordening daarvan in structuur en compositie.

Verrassend was het optreden in een van de werken van artistiek leidster Käthy Gosschalk als actrice, een vak dat zij enkele jaren beoefende na afsluiting van haar succesvolle danscarrière bij het Nederlands Dans Theater. Zij gaf een puntgave vertolking vol ironie van een haast Ma Flodder-achtige figuur. Voor dansgroepprogrammeurs van kleine theaters zou het interessant zijn eens een voorstelling samen te stellen van de sterkste werken uit de diverse workshops, al was het alleen maar om de jonge choreografen een kans te bieden aan hun vaak maar enkele malen uitgevoerd werk nog te schaven en te polijsten.

    • Ine Rietstap