Japanse Toda wint het Elisabeth Concours met degelijk vioolspel

De eerste drie prijswinnaars teden op met het Noordhollands Philharmonisch Orkest o.l.v. Lucas Vis: 26/6 Conc ertgebouw Haarlem; 27/6 Vredenburg Utrecht; 29/6 Doelen Rotterdam.

ROTTERDAM, 5 JUNI. De Eerste prijs van de Internationale Muziekwedstrijd Koningin Elisabeth van België is zaterdagnacht in Brussel gewonnen door de 25-jarige Japanse violiste Yayoi Toda, een leerlinge van Herman Krebbers in Amsterdam. Op deze jurybeslissing werd met een beleefd applaus gereageerd. Want ook al had deze Japanse violiste van alle laureaten het meest zuiver had gespeeld, haar ingetogen vertolkingen van het "plichtwerk' ZODIAC van Piet Swerts, de Sonate voor viool en piano van Janacek en het Vioolconcert in d van Sibelius hadden behalve oerdegelijk ook tamelijk fantasieloos en braaf geklonken. De tweede prijs ging naar de Roemeen Liviu Prunaru, die de finale glans verleend had met vurig maar slordig spel.

Ook bevreemdend was dat de Taiwanese violist Keng-Yuen Tseng, een leerling van Eric Friedman die als hekkesluiter van de finale veel indruk wist te maken met zijn glasheldere en bijzonder geraffineerde techniek, de derde prijs kreeg. Maar bijna verontwaardigd werd gereageerd op de jurybeslissing om de Canadese violist Martin Beaver, de lieveling van pers en publiek, de vierde prijs toe te kennen. Want deze enthousiast musicerende leerling van Joseph Gingold had alle aanwezigen er als enige aan herinnerd, dat zelfs op concoursen de muziek boven de techniek behoort te gaan. Temidden van een overmaat aan perfectiedrang klonken zijn enerverende vertolkingen weldadig eigenzinnig en expressief. Zó intens stortte Beaver zich op de muziek dat hij last kreeg van vermoeidheidsverschijnselen, maar die paar valse noten werden gecompenseerd door zijn spontaniteit. Welverdiend won hij de BRTN-prijs en de Prijs voor de beste uitvoering van ZODIAC, waarop eigenlijk alleen Beaver en Tsjeng een persoonlijk stempel wisten te drukken.

Onverschilligheid en willekeur leken te heersen bij de jury: Pierre Amoyal, Lola Bobesco, Dorothy Delay, Toshiya Eto, Tuornas Haapanen, Ida Haendel, Philippe Hirschhorn, Yuzuko Horigome, Herman Krebbers, Viktor Liberman, Alberto Lysy, Yehudi Menuhin, Shlomo Mintz, George Octors, Igor Oistrach, Clemens Quatacker en Berl Senofsky onder voorzitterschap van Eugène Traey.

Een probleem voor deze gerenommeerde violisten was ook dat dit keer geen sprake was van een echte uitschieter, zoals in 1989 het Russische vioolfenomeen Vadim Repin. De vijfde prijs ging naar de muzikale maar weinig virtuoze Natalia Prischepenko uit Siberie, evenals voorheen Repin een leerling van de vermaarde vioolpedagoog Zakhar Bron en onlangs winnares van het Paganini Concours in Geneve. De Japanse Chie Abiko won de zesde prijs met vlekkeloze nietszeggendheid, en de Chinese Bin Huang kreeg de zevende prijs dankzij haar felle maar naëve virtuositeit.

De in degelijkheid en saaiheid uitblinkende Italiaan Marco Rizzi eindigde als achtste, de muzikaal innemende maar technisch nog te onzekere Latica Honda-Rosenberg uit Duitsland werd negende. Daarop volgden de Koreaanse Kyung-Sun Lee, de Amerikaanse Rachel Barton en de uit Sarajevo afkomstige Stefan Milenkovic die alledrie beter verdiend. Want al werd het voormalige wonderkind Milenkovic (16) beschouwd als een meelijwekkend produkt van zijn ambitieuze ouders, zijn vertolking van het Vioolconcert van Tsjaikofski getuigde op zijn minst van een indrukwekkende virtuositeit.

En ook al speelde de 18-jarige Barton allesbehalve evenwichtig, haar aanpak van Mendelssohns Vioolsonate en het Vioolconcert van Brahms klonk in ieder geval gedurfd en sprankelend. Zo had ook de nerveuze maar spirituele Lee ondanks al haar missers nog altijd meer uitstraling als Abiko en Ricci samen.