Hardnekkige boosdoeners

Het is al jaren bekend en onomstreden dat bedrijven die zelf verantwoordelijk zijn voor zieke werknemers er beter in slagen om ziekteverzuim te voorkomen en zieke medewerkers goed te begeleiden dan bedrijven die alles overlaten aan hun bedrijfsvereniging. De sterkste voorbeelden in Nederland zijn te vinden in de chemische industrie waar AKZO en DSM ondanks het stress veroorzakende werk in de volcontinu toch veel minder zieke werknemers hebben dan andere industriële bedrijven die geen eigen ziektebeleid kunnen of mogen voeren. Ook Philips en Shell zijn zelf financieel verantwoordelijk voor de uitvoering van de ziektewet, en komen uit met een percentage zieken dat veel lager ligt dan het landelijk gemiddelde. Daarom besloten VNO, FNV en de andere grote organisaties van werkgevers en werknemers in het najaarsoverleg van 1990 dat “de mogelijkheid om als werkgever eigen-risicodrager te worden, dient te worden verruimd”. Op 12 juli 1991 adviseerde de Sociaal Economische Raad unaniem “om te komen tot een grote financiële betrokkenheid van ondernemingen bij het ziekteverzuim”.

Op 20 november 1991 stuurde staatssecretaris Ter Veld het voorstel van wet Terugdringing Ziekteverzuim (TZ) naar de Sociale Verzekeringsraad met daarin de nu algemeen bekende voorstellen om ieder Nederlands bedrijf met de neus te drukken op de financiële consequenties van een hoog ziekteverzuim. Heel sluw schreef de staatssecretaris toen dat alle vereiste adviezen vlug moesten binnenkomen “zodat invoering van de wettelijke maatregelen uiterlijk 1 juli 1992 mogelijk is”. ("sluw' is het correcte woord, want zo dwingt de regering het Centraal Planbureau om imaginaire bezuinigingen op de ziektewet per diezelfde datum in te boeken in de economische prognoses voor het financieringstekort. Directeur Zalm protesteert, maar de regering is de baas totdat het parlement verstandig genoeg is om het Planbureau weg te halen bij het ministerie en even onafhankelijk te maken als de Rekenkamer). De wet TZ ligt nu bij de Eerste Kamer en er wordt nog steeds aan gesleuteld, maar gelukkig lijkt het er wel op dat langzaam maar zeker het gezond verstand de overhand gaat krijgen en dat zou een goede zaak zijn voor preventie van ziekte, de begeleiding van zieke werknemers en de financiële lasten van ziekteverzuim voor de nationale economie.

Toch zijn er nog steeds vijf bedrijfsverenigingen die de goede ontwikkeling saboteren. Allereerst is dat de BVG, de Bedrijfsvereniging voor de Gezondheidszorg. Woordvoerder Van den Berg vertelt dat eind jaren zeventig het bestuur ooit heeft besloten om geen eigen-risicodragers toe te staan in de gezondheidszorg en dat daar, ondanks alle unanieme aanbevelingen uit Den Haag niet van wordt afgeweken. Een hoog ziekteverzuim kon zelfs aantrekkelijk zijn voor een ziekenhuis: voor een zieke verpleegster ontving het ziekenhuis geld van de BVG, en dat bedrag was soms hoger dan de kosten van een uitzendkracht die het werk van de zieke kwam overnemen. Speciale uitzendbureaus profiteerden van deze perverse situatie en het bestuur van de BVG wist er van maar deed er niets aan: nog steeds is eigen-risico dragen verboden hoewel de grote ziekenhuizen toch enige expertise moeten hebben om zelf verantwoordelijkheid te nemen voor een deel van het ziekteverzuim. De Nederlandse verpleegster is gemiddeld 26 dagen per jaar ziek (ongeteld zwangerschapsverlof), maar dankzij de hardnekkigheid van de BVG is er geen nuttig cijfermateriaal om na te gaan of een ander beleid zou kunnen leiden tot een lager ziekteverzuim.

Dan is er de bedrijfsvereniging voor de grafische industrie. Het zou naëf zijn om van een bedrijfstak waar werkgevers en werknemers in strijd met internationale verdragen betreffende de rechten van de mens afspreken: “het is aan de werkgevers verboden arbeid te doen verrichten door een werknemer die geen lid is van FNV-bond "Druk en Papier' of van de Grafische Bond CNV”, te verwachten dat zij nu opeens wel ruimte zouden maken voor eigen ondernemersbeleid bij de ziektewet. De grafische sector heeft steeds meer last van concurrentie uit België en heeft nu eindelijk een commissie ingesteld om te onderzoeken of de ijzeren vuist van de vakbonden een paar centimeter kan worden opgetild, maar er zullen nog heel wat drukkerijen failliet moeten gaan voordat daar echt iets verandert.

Dan is er de bedrijfsvereniging voor de horeca waar het bestuur van de bedrijfsvereniging evenmin toestaat dat een hotel- of restaurantbedrijf zelf financieel verantwoordelijkheid gaat dragen bij de ziektewet. Ook hier hebben de medewerkers van het GAK instructie om verzoeken van volhardende ondernemingen door te verwijzen naar de bedrijfsvereniging, maar het antwoord is al bij voorbaat bekend.

In de metaalindustrie geldt hetzelfde: geen nieuwe eigen-risico dragers en geen toestemming aan bedrijven om zelf een medische beoordeling uit te oefenen. De laatste bedrijfsvereniging die nog hard ingaat tegen de algemene trend naar meer verantwoordelijkheden en bevoegdheden per bedrijf is het Sociaal Fonds Bouwnijverheid, de bedrijfsvereniging voor de bouwnijverheid. Aan de telefoon de heer Westhof: “een aanvraag is mogelijk, maar het bestuur geeft nooit toestemming”. In geen sector is ziekteverzuim en WAO-instroom zo hoog als in de bouw, maar dankzij het bestuur van Westhof mogen dus zelfs de grootste bedrijven zoals de Hollandse Beton Groep of Volker Stevin niet zelf verantwoordelijkheid nemen voor begeleiding en financiering van zieke werknemers. Dus komen er ook nooit vergelijkende cijfers waar andere werkgevers in de bouw iets van zouden kunnen leren voor wat betreft de beste methode om ziekteverzuim te verminderen. Er zijn in Nederland 95.000 ex-werknemers van bouwbedrijven inclusief HBG en Volker Stevin in de WAO, en dat aantal zou een stuk lager zijn wanneer bedrijven die zorgvuldiger omgingen met hun personeel daarvoor werden beloond in de vorm van een lagere premie voor de ziektewet. Dat het bestuur van het Sociaal Fonds Bouwnijverheid dit niet toestaat is in strijd met kabinetsbeleid, unaniem SER-advies en najaarsoverleg, en kost Nederland tenminste 200 miljoen gulden per jaar.

Gelukkig gaat het een stuk beter bij de andere bedrijfsverenigingen. De Detam, bijvoorbeeld, die verantwoordelijk is voor onder andere de detailhandel heeft heldere regels die ieder aangesloten bedrijf kan nalezen om na te gaan of de stap naar eigen-risico drager realistisch is. De Detam vraagt een minimale verzekerde loonsom van 2,2 miljoen gulden, een bankgarantie voor anderhalf procent daarvan en stelt een aantal eisen voor wat betreft de administratie. Een vergelijkbare situatie geldt voor de niet genoemde bedrijfsverenigingen. Misschien helpt nu de Parlementaire Enquête om de macht van de gevestigde orde te breken bij de vijf boosdoeners: Gezondheidszorg, Grafische Industrie, Horeca, Metaal en Bouwnijverheid. De besturen van de vijf hebben niet begrepen dat hun officiële positie - bedrijven zijn verplicht om mee te doen met de bedrijfsvereniging - ook verplichtingen met zich meebrengt, namelijk om zorgvuldig te zijn en vrijheid te bieden waar dat mogelijk is, alles in het belang van zieken en WAO-ers. Zij hebben de tekenen des tijds niet willen verstaan; wanneer zou er weer een ongetwijfeld democratische verkiezing zijn van een nieuw bestuur voor de hardnekkige vijf?