FNV zoekt "nieuwe werknemer'; "Schaalvergroting, doeltreffender en doelmatiger met elkaar samenwerken. Dat is aan de orde'

ROTTERDAM, 7 JUNI. In vergelijking met andere massa-organisaties doet de vakbeweging het fantastisch. In tegenstelling tot bij voorbeeld kerken en politieke partijen wordt de vakbeweging niet gehinderd door leegloop. Maar de schijn van haar kwantitatieve welstand bedriegt, want in werkelijkheid zijn het barre tijden voor de vakbeweging.

Ga maar na: de werkloosheid schiet omhoog, de koppeling is buiten werking gesteld, de sociale zekerheid brokkelt af, aan de ontslagbescherming wordt gemorreld, de bovenwettelijke uitkeringen liggen onder vuur en de adviesrol in het sociaal-economische beleid staat ter discussie. Ziedaar een, nog niet eens volledige, opsomming van de sores waarmee de vakbeweging kampt. En dan hebben we het nog niet over interne perikelen.

De Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), met 1,1 miljoen leden veruit de grootste vakcentrale in dit land, bezint zich de komende dagen op haar eigen toekomst. Dat is nodig omdat haar speelveld verandert. Traditioneel is ze sterk in Den Haag, op centraal niveau. Maar daar valt allengs minder te "scoren'. De overheid trekt zich gedeeltelijk terug uit de sociale zekerheid en de overige arbeidsvoorwaarden worden maar steeds meer overgelaten aan het overleg in bedrijfstakken en bedrijven, waar de vakbonden over het algemeen veel minder sterk vertegenwoordigd zijn. Gemiddeld is één op de vier werknemers lid van een vakbond, maar de organisatiegraad per bedrijfstak verschilt enorm. In de grafische industrie zijn vrijwel alle werknemers lid, in de schoonmaakbranche minder dan vijf procent.

Behalve het speelveld verandert ook de FNV zelf. Historisch wortelt ze in de sociaal-democratische (NVV) en katholieke (NKV) arbeidersbeweging. De fusie in 1976 markeerde al een zekere ontzuiling en dat proces gaat in bepaalde opzichten nog steeds door. Vier jaar geleden bekende nog de helft van de FNV-leden zich tot de PvdA. Nu is dat nog een derde, bijna evenveel als D66.

Beslissend voor de toekomst van de vakbeweging zijn vooral twee zaken, zegt prof.mr. A.Ph.C.M. Jaspers, hoogleraar sociaal recht in Utrecht. Slaagt ze er in "de nieuwe werknemer' aan zich te binden, en vindt ze een nieuw evenwicht tussen collectieve en individuele belangenbehartiging? Het eerste vergt een sociaal-culturele omslag, het tweede een nieuwe manier van samenwerking tussen vakcentrale en aangesloten vakbonden. “De vakbeweging is van oudsher erg "gefocust' op de bouwvakker, de metaalarbeider, de ambtenaar - zeg maar het mannelijke gezinshoofd dat full-time werkt. Dat vind je terug in de achterban, in de organisatie en in de regelingen die men nastreeft.”

Daarentegen komen er steeds meer werknemers die geen man zijn, die niet aan het hoofd van een gezin staan, die deeltijdbanen prefereren en die in afwijkende arbeidstijdpatronen werken. Jaspers: “De FNV-leiding wil de koers naar die nieuwe groepen werknemers verleggen, maar het is de vraag of de bonden, die deze krachttoer moeten uitvoeren, dat voor elkaar krijgen.”

In de congresnota "veelkleurige vooruitzichten', die de FNV morgen, overmorgen en donderdag in Amsterdam bespreekt, wordt de nieuwe doelgroep nadrukkelijk omarmd. Tevens wordt onderkend dat als gevolg daarvan de opvattingen over inkomenspolitiek en over rechtvaardige inkomensverhoudingen bijstelling behoeven. “In feite kan worden gesproken van twee zielen in één lichaam. Aan de ene kant wil de FNV bescherming van kostwinnersgezinnen. Aan de andere kant wil zij erkenning dat inkomens individueel zijn, voortvloeiend uit eigen werknemerschap.”

Eigenlijk pakt de FNV hier de draad weer op van het vorige congres, eind 1990. Toen stond het thema "economische zelfstandigheid en solidariteit' ook al centraal. Verschil met nu is echter dat de ambities wat zijn ingetoomd. Door dit "nieuwe realisme' is onder andere het pleidooi voor een Algemene volksverzekering tegen werkloosheid (AVW) gesneuveld. Tweeëneenhalf jaar geleden werd zo'n wettelijke regeling nog gepresenteerd als het sluitstuk van de economische zelfstandigheid, waarop iedereen die zich beschikbaar stelde voor de arbeidsmarkt een beroep zou kunnen doen. De partner die wel wil werken, maar geen werk kan vinden, zou dan automatisch in aanmerking komen voor een AVW-uitkering en zou economisch niet langer afhankelijk zijn van de kostwinner, zoals nu het geval is.

Maar de komende dagen geldt deze verzelfstandiging van uitkeringsrechten weer als een mooie belofte die ook op middellange termijn niet kan worden waargemaakt en waaraan derhalve minder aandacht wordt geschonken. Alleen voor "de 1990-generatie'' (degenen die in 1990 of daarna 18 jaar werden) worden nu nog zelfstandige uitkeringsrechten bepleit, maar dat lijkt gezien de jongste kabinetsplannen met de bijstand voor jongeren kansloos.

Ook ten aanzien van arbeidstijdverkorting doet de FNV wat bescheidener. In de oorspronkelijke congres-resolutie van het hoofdbestuur ontbrak zelfs een expliciete verwijzing naar een gemiddelde werkweek van 35 uur, waaraan de FNV zich in de internationale vakbeweging heeft gecommitteerd. Wijzigingsvoorstellen van verschillende bonden hebben nu tot de volgende concept-tekst geleid: “Herverdeling van werk moet plaatsvinden door een combinatie van volwaardige deeltijdarbeid, verkorting van de gemiddelde wekelijkse werkduur tot 35 uur en verruiming van de mogelijkheden tot verlof en (gedeeltelijke) uittreding”. Op middellange termijn zal er volgens de FNV “een nieuwe modale werknemer” ontstaan die gemiddeld 32 uur per week werkt. Langer werken dan 32 uur is dan uitzondering op de regel.

Voor dit doel gaat de FNV voortaan ook minder in Den Haag leuren, zo kondigde voorzitter J. Stekelenburg onlangs in FNV Magazine aan. “Ik geloof steeds minder in eindeloze stoeipartijen over wetgeving die wij als vakbeweging graag willen, terwijl er dan inmiddels niets gebeurt. Neem het recht op deeltijdwerk, dat wij bepleiten. Als je kunt kiezen tussen nog drie jaar knokken voor een wettelijke regeling waarvan de inhoud onzeker zal zijn, of nu afspraken maken met werkgevers die werknemers meer mogelijkheden bieden dan er nu zijn, heb ik de neiging om voor dat laatste te kiezen.”

Daarmee valt een deel weg van de meerwaarde die de vakcentrale tot voor kort in Den Haag zocht en vond. De bonden die iets willen moeten er zelf meer werk van maken. Bij de concurrentie van de christelijke vakcentrale CNV heeft dat inmiddels geleid tot plannen voor intensivering van de samenwerking, waarbij de relatief rijke bonden de relatief arme bonden financieel in de gelegenheid stellen op "witte vlekken' in de vakbeweging (zoals het midden- en kleinbedrijf en groeisectoren als de schoonmaakbranche en de informaticasector) leden te werven. De negentien bonden van de FNV zoeken het ook in die richting. Stekelenburg: “Fusies? Ach, dat betekent altijd dat er wat wordt opgeheven en ik vind het nu te vroeg om daar uitspraken over te doen. Schaalvergroting, doeltreffender en doelmatiger met elkaar samenwerken. Dat is aan de orde.”

    • Joop Meijnen