Fascinerende expositie in Düsseldorf; Kunst aboriginals is verrassend authentiek gebleven

Tentoonstelling: Aratjara - kunst van de eerste Australiërs. T/m 4 juli in de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen, Düsseldorf. Open: di-zo 10-18u, ma gesloten. Catalogus DM 59 in het museum; DM 98 in de boekhandel. Daarna in de Hayward Gallery, Londen (23/7 t/m 10/10), Louisiana Museum, Humlebaek, Denemarken (11/2 t/m 23/5/1994) en National Gallery of Victoria, Melbourne, Australië (23/6 t/m 15/8/1994).

Wie over de ontstaansgeschiedenis van moderne aboriginal kunst leest, zet wel enige vraagtekens bij de authenticiteit van deze nieuwe "primitieve' kunstvorm. Oog in oog met de kunstwerken zelf op de tentoonstelling Aratjara in de Kunstsammlung Nordrhein-Westfalen in Düsseldorf maken twijfels echter plaats voor fascinatie en nieuwsgierigheid. Een bezoek aan deze expositie is een ontdekkingsreis naar terra australis incognita.

Het leven van de aboriginals, nomadenstammen die al meer dan 40.000 jaar in Australië leven, is prachtig beschreven in The Songlines van Bruce Chatwin. Sinds de Engelsen in 1788 in Sidney Cove een strafkolonie vestigden, is de zwarte bevolking door "ethnische zuiveringen' verdreven en grotendeels uitgeroeid. Pas in 1944 kregen de aboriginals officieel burgerrechten en tegenwoordig leiden zij een marginaal bestaan in de grote steden van Zuidoost-Australië en in afgelegen reservaten. Chatwin beschrijft onder andere de Pintubi, een stam in Centraal-Australië die eind jaren vijftig nog in de steentijd leefde. Al minstens tienduizend jaar jaagden de mannen op kangaroes en emoes en verzamelden de vrouwen wortels en zaden. Opgesloten in "government stations' dreigden zij ten onder te gaan aan ziektes, drank en onderlinge twisten.

In die omstandigheden zag een blanke opbouwwerker hoe moeders bij het vertellen van verhalen aan hun kinderen in het zand tekenden. Hij (of zij) gaf hen schildersmaterialen en het resultaat was, aldus Chatwin, kant-en-klare, Australische abstracte schilderkunst. Vervolgens vertelt hij hoe een van de schilders, Old Stan Tjakamarra, bij de plaatselijke boekhandel een schilderij aflevert, dat prompt wordt doorverkocht aan een Amerikaans echtpaar. De eigenaresse van de boekwinkel is een oudere vrouw die het beste met de aboriginals voorheeft. Wanneer zij aan het eind van de dag met een doek bij haar komen, doet ze bijvoorbeeld alsof ze de sleutel van de kas niet kan vinden om te voorkomen dat het geld 's avonds direct naar de kroeg verdwijnt.

De vertegenwoordigster van de Aboriginal Art Board in Sydney die begin jaren zeventig werd opgericht, pakt het in The Songlines van Chatwin zakelijker aan. Zij heeft een kunstenaar opdracht gegeven om een wit schilderij te maken en komt gekleed in een beige "battle-dress' het resultaat inspecteren. Nadat zij getracht heeft het bijpassende verhaal aan de schilder te ontfutselen, onderhandelt ze met hem over de prijs. De kunstenaar maakt duidelijk dat hij niet langer genoegen neemt met een paar honderd dollar als er in een galerie een paar duizend dollar voor zijn werk wordt gevraagd.

Meer dan een soort oppervlakkige airport-art kan deze mengeling van oprecht goede bedoelingen, betutteling en winstbejag niet opleveren, denk je als je dit leest. Verrassend genoeg blijkt dat niet zo te zijn. De eerste werken op de tentoonstelling in Düsseldorf zijn figuratieve schilderingen op stukken onregelmatig gevormde eucalyptusbast. Ze zijn uitgevoerd in gedempte aardkleuren - gele, bruine en rode okers en wit. De meeste zijn de laatste dertig jaar ontstaan, een enkele zoals een emoe omstreeks 1913. Deze grote loopvogel is anatomisch zeer gedetailleerd weergegeven - zelfs de ingewanden zijn afgebeeld.

Dit is een mooi voorbeeld van de zogenaamde X-ray stijl uit Arnhemland, in het noorden van het Australische continent. In dit gebied, maar ook elders, zijn rotstekeningen te vinden die meer dan 18.000 jaar oud zijn. Deze dymamische voorstellingen van mensen, dieren en mythische wezens zijn een bron van inspiratie voor de moderne kunstenaars. Oude verhalen over jacht en visvangst worden opnieuw verbeeld, zoals over een haai die jacht maakt op twee vette stekelroggen. Zij houden zich verborgen in een verfijnd netwerk van arceringen en stippen - het water en de rotsen. Zelfs ogenschijnlijk abstracte beelden vertellen verhalen over bliksem, storm en regen of verwijzen naar de graten van een bepaalde vis waarmee de kunstenaar een mythologische band heeft.

In de werken uit Centraal-Australië en de westelijk gelegen Kimberleys treden abstracte stippenpatronen sterker op de voorgrond. Deze hebben visueel noch inhoudelijk iets te maken met het westers pointillisme. Het zijn een soort plattegronden van uitgestrekte dorre landschappen met verspreid daarin voetsporen en heilige plaatsen. De aboriginals die meestal over een fabelachtig oriënteringsvermogen beschikken, voelen een diepe, religieuze verbondenheid met de natuur. Zij geloven dat hun voorouders in de oertijd of "dreamtime' op hun tochten zingend vormgaven aan het landschap, de dieren en de planten. Dit scheppingsverhaal wordt levend gehouden in religieuze ceremonies waarbij zandschilderingen worden gemaakt. Het eerbiedigen van heilige plaatsen is voor de aboriginal van levensbelang, letterlijk zelfs van lijfsbehoud.

Het is verbazend om te zien hoe veelzijdig simpele stippenpatronen zijn bij het verbeelden van lange, barre tochten, gevechten, bosbranden of de snelle plantengroei na een regenbui. Wie na de expositie de vaste collectie van het museum bezoekt, ziet opvallende overeenkomsten met het werk van Paul Klee. Klee was voor zover bekend niet op de hoogte van aboriginal kunst. Voor hem en andere klassiek-moderne kunstenaars was het een onbekend gebied.

Behalve schilderingen met okers op boombast werken de kunstenaars ook met acryl op doek. Dit is niet altijd een vooruitgang: de stippen zijn soms slordig opgebracht en de kleuren standaard-modern uit een tube. Op de tentoonstelling worden de onderlinge verschillen in aboriginal kunst duidelijk. De maskers van de Torres Strait Islanders die zichzelf nadrukkelijk niet als aboriginals beschouwen, hebben meer gemeen met Papoea-kunst uit het nabijgelegen Nieuw-Guinea. De aboriginals uit de grote steden zijn uitgesproken politiek en westers georiënteerd. De installatie met in aboriginal-kleuren geschilderde dingos van Lin Onus bijvoorbeeld is duidelijk bedoeld als symbool voor het lot van zijn volk.

Op de persconferentie die aan de opening van de tentoonstelling voorafging, waren verschillende kunstenaars en een groepje musici aanwezig. Op verzoek van een televisieploeg speelden zij voor de kunstwerken op didjeridu's, lange hoorns waaruit een donker, eentonig bromgeluid klinkt. Ondanks hun westerse outfit en witte sportschoenen riep deze melancholieke muziek een sterk gevoel van ontheemd zijn op. Moderne kunst is voor aboriginals een van de middelen geworden om hun eigen culturele identiteit te versterken. De manier waarop dit door blanken bevorderd is, blijkt aan de authenticiteit van dit geluid niets te hebben afgedaan.