Een les in currisme

Gisteren zijn de Spanjaarden naar de stembus gegaan en ging ik naar de arena voor het laatste gevecht van de Feria de San Isidro. Stemmen mag ik hier toch niet en in de ring stond Curro Romero. Het was een dag van afwisselend zon en beetje regen en of het nu de zomergeur was in de vochtige lucht, de nog onbekende uitslag van de verkiezingen of de komst van Curro, ik zou het niet kunnen zeggen, maar al 's ochtends vroeg was ik vol verwachting en zenuwachtig.

Het is goed en passend dat we tot het allerlaatst hebben moeten wachten op de oude meester en dat zijn gevecht geen deel uitmaakte van het abonnement; je moest er een apart kaartje voor kopen. Curro Romero is namelijk een categorie op zichzelf en wie er achter wil komen waarom dat zo is zal geduld moeten hebben, die moet kunnen wachten. Dat wachten heeft Curro tot onderdeel van zijn kunst verheven. Misschien vormt het er zelfs wel de essentie van.

Curro werd zestig jaar geleden geboren in Camas, een dorp bij Sevilla, en valt in de categorie van toreros gitanos: stierenvechters die alleen maar goed zijn als ze hun dag hebben, als de stier hen bevalt, de zon prettig schijnt en ze die ochtend zonder ruzie met hun vrouw zijn opgestaan. Echte artiesten dus, wispelturig, verschrikkelijk goed of verschrikkelijk slecht, vaak lui, alleen per ongeluk energiek, soms zichzelf vergetend en bovenmenselijk moedig, soms zo bang dat ze zich nauwelijks kunnen bewegen. Curro pleegt ongeveer één keer per jaar goed te zijn, soms minder. Hij houdt dat echter al zo lang vol, om precies te zijn sinds 1954, dat hij een ijkpunt is geworden voor generaties van liefhebbers. Aan zijn figuur kun je toetsen hoe je staat tegenover de stieren en in het leven. Je bent currista, bereid te wachten, of je bent het niet, omdat je vooruitgang wilt en waar voor je geld en wel nu onmiddellijk.

Vooral in Andalusië houdt immense liefde en intense minachting voor Curro Romero de bevolking ernstig verdeeld. Mijn begrip gaat uit naar het laatste standpunt, maar mijn sympathie geldt het eerste. Want hoewel ik geen tegenstander ben van de vooruitgang, denk ik dat ook de rest van de mensheid iets van Curro en zijn aanhangers zou kunnen leren. De platonist bijvoorbeeld, die wacht op een betere wereld en intussen ondraaglijk lijdt onder de onvolmaaktheid van het heden, zou weleens gebaat kunnen zijn met een snufje currisme. Met een levenshouding die zelfs van uitstel nog een feest weet te maken en vandaag vrolijkheid put uit de gedachte dat het morgen onmogelijk slechter kan gaan.

Ik heb Curro Romero vorig jaar twee keer zien optreden: in Sevilla, waar hij een volstrekt te verwaarlozen vertoning organiseerde, en in Madrid waar hij uitstekend was maar op het laatst door zijn stier omver werd gelopen. Onder het roepen van "ik sterf, ik sterf' werd hij de arena uitgedragen, terwijl het publiek een oor eiste, dat ook werd toegekend. Toen de dokter hem verzekerde dat hij geen schrammetje had en hij tegelijkertijd het gejuich buiten hoorde, sprong de torero op van de behandeltafel en sprintte op kousevoeten de ring weer in waar een van zijn helpers bezig was in zijn plaats met de trofee een ereronde te maken. Hij griste het ding uit de handen van de banderillero om de triomftocht zelf voort te zetten, stralend en juichend, alsof hij samen met het publiek wilde roepen: "Ik ben Curro en ik leef!' (“Hij is Curro en wij leven!”).

Natuurlijk hadden we zo vroeg in dit jaar niet alweer recht op een wonder. Tussen een enkele regendruppel door liet Curro even een glimp van zichzelf zien in de late middagzon, slechts een paar passen, en verder scharrelde hij wat rond of sloeg zelfs op de vlucht met zijn gezette lichaam en doodde van zo groot mogelijke afstand, alsof zijn stier een dartboard was. Maar Curro Vázquez was moedig, veel beter dan drie dagen geleden, en Finito de Córdoba, mijn persoonlijke favoriet sinds zijn schilderachtige faena in de regen van twee weken geleden, zelfs perfect: hij verliet de arena op de schouders door de grote poort. Zo kwam het dat ik toch heel tevreden, voorlopig voor het laatst, de tribune verliet.

Het is niet moeilijk geweest om een maand lang iedere avond naar het doodmaken van zes stieren te gaan kijken. Ik heb ervan geleerd zonder een slotsom te bereiken. Een sport is het stierenvechten inderdaad niet, dat weet ik nu wel zeker. Ook geen ritueel, want de hoofdrolspelers en hun handelingen hebben geen vaste betekenis en rituelen mislukken in de regel niet. Kunst dan? Nee, want de schoonheid die je een enkele keer waarneemt en de amoraliteit, die er altijd is, zijn daarvoor niet voldoende en echte dood hoort niet thuis in echte kunst. Het grootste probleem bij het schrijven over de corrida bleek achteraf dan ook het gemak waarmee je achter zoveel waarnemingen en conclusies zou kunnen zetten “net als in het echte leven.” Het was wel waar, maar je moet het natuurlijk nooit zeggen.

Vreemd is intussen, dat ik na een maand nog niet schoon genoeg heb van het meestal teleurstellende spektakel. ("Evenmin als van het leven.') Het is in de loop van die maand zomer geworden en het land om Madrid staat in bloei. In de dorpen worden biljetten aangeplakt voor de jaarlijkse corrida in een verplaatsbare arena, in verre steden is het programma klaar voor de Feria. Deze maand nog Corpus Cristi in Granada en San Juan in Alicante, in juli San Fermin in Pamplona en daarna de feria van Santander, in augustus de Virgen Blanca van Vitoria, in september San Antolin in Plasencia en in oktober de herfstferia in Madrid en tenslotte die van de Virgen del Pilar in de overdekte arena van Zaragoza. Daarna zou je kunnen oversteken naar Mexico, Ecuador en Colombia voor de winter om pas terug te komen aan het begin van het volgende jaar wanneer het nog ijskoud is in Madrid maar het al naar chorizo en bloedworst ruikt tijdens de eerste corrida in het dorp Valdemorillo.

Mijn agenda zegt dat er de komende tijd belangrijker dingen zijn te doen, maar het currisme spreekt dat tegen. Het denkt dat het niet zinloos is om achter zinloze vertoningen aan te lopen, over zon en schaduw na te denken, mystieke poëzie te lezen, geen Spanjaard te zijn en voor altijd in Spanje te willen blijven.