"Ze droomden van geluk, en kregen een tijdbom in huis'; De onvermoede problemen na de adoptie van een buitenlands kind

Samen brachten ze hun dochter weg. Uitgeput en met rode ogen. In de inrichting werden over Isabel pijnlijke vragen gesteld. Ze huilde. Ook Bob, haar man, kon zijn tranen niet bedwingen terwijl hij haar kleren in de kast legde. Geertje bleef nog een tijdje bij Isabel zitten, zei dat ze van haar hield. Toen gingen ze.

In de auto terug naar huis kòn Geertje niet eens huilen. Ze dacht alleen: dit is nog erger dan wanneer je kind doodgaat. Ze kon niets meer voor haar doen. Afgelopen was het. Isabel was verloren. Toekijken moest ze hoe haar dochter verder de mist in ging. Had ze niet een klein beetje meer tijd kunnen krijgen vóór die puberteit begon. Dan hadden ze het misschien nog tegen kunnen houden. Waarom liep in Isabels leventje alles toch fout.

Had ze die leuke kleren maar nooit voor haar gekocht. En dan dat stompzinnige idee van ondergoed met kant. Bob zei dat ze moest ophouden met al die zelfverwijten.

Hoe kon ze toch zo stom zijn dat ze niet begreep wat er al maanden aan de hand was. Ze wist niet eens dat het bestond: kinderseks. Je hoorde er wel eens van, maar het drong nooit tot haar door. Je brengt zulke dingen toch niet in verband met een kind van jezelf, met een kind van negen.

De weken die volgden waren stil en grijs, alsof er een dichte mist hing die alle geluiden tegenhield.

Isabel is een geadopteerd meisje dat thuis niet meer was te handhaven. Haar moeder schreef onder het pseudoniem Geertje van Egmond een boek over de bittere ervaringen met haar dochter, Bodemloos bestaan. Zoals Isabel zijn er meer. Geadopteerde kinderen uit een ver buitenland, Colombia, Sri Lanka, Korea of - dichterbij - uit Polen, Roemenië. Al snel na aankomst in Nederland beginnen bij sommige van de kinderen de problemen. Vooral de oudere kinderen, opmerkelijk genoeg al vanaf één jaar, kunnen zich niet goed aanpassen. In de meeste gevallen weten de ouders daar na enige tijd wel raad mee, maar komen deze kinderen in de puberteit, dan zijn de problemen moeilijk te hanteren.

Het kind isoleert zich in het gezin, ruziet met broertjes of zusjes, is ongehoorzaam, maakt speelgoed kapot, begint te spijbelen, te liegen, te stelen; in huis, maar ook buitenshuis. Sommigen gaan het criminele pad op.

De ouders zien met lede ogen toe wat gebeurt. Ze merken al vanaf het begin dat het niet lukt om een hecht contact met hun nieuwe zoon of dochter te krijgen, laat staan dat ze het gedrag van hun kind nog kunnen benvloeden als het snel bergafwaarts gaat. ""Het staat er maar en staart me wezenloos aan'', klagen de nieuwe vader en moeder, wanhopig over zoveel onmacht. Bezoeken aan de psychiater leiden ook niet tot verbetering van het gedrag. Ten einde raad besluiten de specialist en de ouders dat het voor iedereen beter is als het kind uit huis vertrekt, naar een psychiatrische inrichting, een opvoedkundig instituut of een internaat. Een beslissing die ouders als heel dramatisch ervaren.

Het aantal buitenlandse adoptiekinderen dat in het gezin niet meer te handhaven is en naar een tehuis verdwijnt, is vijf tot zes keer zo hoog als bij Nederlandse kinderen, blijkt uit een vorig jaar verschenen onderzoek van René Hoksbergen, Waar ben ik thuis? Hij is sociaal pedagoog en psycholoog en bekleedt in Utrecht de enige - bijzondere - leerstoel voor adoptie die er in Nederland bestaat.

Van de duizend buitenlandse adoptiekinderen die jaarlijks in ons land terecht komen - Nederlandse adoptiekinderen zijn er nauwelijks - verlaten zestig na enige tijd het huis omdat ze voor de ouders onhandelbaar blijken te zijn. Voor de meeste kinderen is zo'n verwijdering tijdelijk. De uit huis geplaatste kinderen vormen ""het topje van de ijsberg'', zegt Hoksbergen. In meer gezinnen blijven de kinderen weliswaar thuis wonen, maar ontstaan opvoedings- en relatieproblemen waar ouder en kind jarenlang mee kunnen worstelen.

Het jaar 1980 kende met bijna 1.600 buitenlandse adoptiekinderen een absoluut hoogtepunt. Deze kinderen bereiken inmiddels de lastige leeftijd. De meeste problemen doen zich bij jongens voor. Bijna een kwart van de jongens tussen twaalf en vijftien jaar wordt als zeer problematisch beschouwd, blijkt uit eerder onderzoek van de hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie prof.dr. F.C. Verhulst en de psychologe H.J.M. Versluis van het Rotterdamse Sophiakinderziekenhuis. Bij meisjes is dat 14 procent.

Isabel komt uit Colombia. Geertje haalde haar op bij het zoveelste pleeggezin waar ze was aangespoeld. Isabels moeder was niet in staat haar op te voeden en deed haar heimelijk bij een oude vrouw in de kost. Daarna ging alles mis. Het werd een eindeloze martelgang van het ene slechte pleeggezin naar het andere, totdat de kinderbescherming werd gewaarschuwd.

Isabel kan zich nog drie adressen herinneren. Pleeggezinnen die haar alleen om het geld namen. Ze werd geslagen, hard en heel vaak. En een zere buik had ze van de honger, de eigen kinderen in zo'n pleeggezin kregen altijd veel meer eten. Stiekem at ze dan uit de bak van de hond en de kat, want daar kwamen de kliekjes terecht. Ze hoorde er nooit bij. Wie was ze nu helemaal. Niets, niemand. Moest altijd weer weg.

En toen, na zes jaar, kwam iemand haar ophalen uit Bogotá en viel ze in Nederland in een groot zacht kussen vol goede bedoelingen. Er waren cadeautjes en kleren. Een groot huis met een tuin. Ze had een nieuwe vader en moeder, twee broers, Tom en Hadrian, en zelfs een eigen poes.

Buitenlandse adoptiekinderen vertonen vaker probleemgedrag, zegt de psychologe Versluis, omdat veel kinderen chronisch verwaarloosd zijn. Meestal ondervond hun moeder tijdens de zwangerschap al grote spanningen. Ook in de periode na de bevalling worden ze niet goed verzorgd en in sommige landen raken ze ondervoed. Kinderen die in tehuizen opgroeien en regelmatig van verzorger wisselen, zijn, zo merken Versluis en Verhulst op in hun onderzoek, meestal niet in staat een normale duurzame band op te bouwen. Hun vertrouwen in andere mensen is geknakt. Een opvoeding in een tehuis betekent niet alleen scheiding van de biologische moeder, maar ook chronische eenzaamheid en ontbering.

Versluis: ""Hoe langer een kind lichamelijk en emotioneel verwaarloosd is, hoe groter het risico dat er later problemen optreden. Boven de twee jaar groeit de kans op moeilijkheden bij adoptiekinderen. Dat wil niet zeggen dat zich bij kinderen die met zes maanden zijn geadopteerd geen problemen voordoen. Het komt alleen minder vaak voor.''

Voordat ouders er achter komen dàt er met hun geadopteerde kind iets grondig mis is, hebben zich in het gezin soms al bittere veldslagen afgespeeld. ""De moeilijkheid is dat de meeste ouders de voorgeschiedenis van het kind helemaal niet kennen'', zegt W. Knappstein. Hij is maatschappelijk werker en verleent al vijfentwintig jaar hulp aan ouders met pleeg- of adoptiekinderen. Knappstein werkte ook mee aan een uitvoerige studie naar adoptie die in 1992 verscheen, Kind van andere ouders (red. René Hoksbergen en Hans Walenkamp) en heeft sinds enkele jaren een zelfstandige praktijk in Zeist.

""Ouders zijn niet voorbereid op kinderen die zulk moeilijk gedrag aan de dag leggen. Instinctmatig kunnen ze er niet mee uit de voeten. Alleen zullen ze dat niet gauw toegeven. Je moet niet vergeten dat driekwart van de adoptie-ouders ongewenst kinderloos is. Dan krijgen ze eindelijk na jaren wachten een geadopteerd kindje en denken "nu zijn we er'. Bij anderen mag het fout gaan, maar dat zal hun niet gebeuren. Als je zolang op een kind hebt gewacht, en je kunt er dan geen contact mee krijgen, sterker, het keert zich letterlijk van je af, dan raken ouders in verwarring.''

Knappstein ziet telkens hetzelfde patroon. Het kind gedraagt zich buitenshuis als een schatje, steelt bij iedereen de show, maar binnenshuis is het een ramp. Het kind ervaart de wereld als onveilig, onbetrouwbaar, het maakt ruzie, chanteert en manipuleert zijn ouders, explodeert of loopt weg. Ouders proberen van alles, maar het lukt ze niet vat op het kind te krijgen. Dat kan volgens Knappstein ook niet bij een kind dat psychisch eigenlijk gehandicapt is, alleen hebben veel ouders dat aanvankelijk niet in de gaten.

Ze kloppen bij de huisarts aan of de Riagg (Regionale Instelling voor Ambulante en Geestelijke Gezondheidszorg), maar deze herkennen de problemen van dergelijke kinderen vaak niet. Ze worden van het kastje naar de muur gestuurd. Zo komen ouders in een neerwaartse spiraal terecht, hebben slapeloze nachten, krijgen ruzie met elkaar. Sommigen beginnen hun kind te slaan, tot hun eigen schrik. Anderen gaan het kind haten en raken daarvan nog meer van de kaart. Bij de omgeving kunnen ze niet terecht - die begrijpt allang niet meer wat zich binnenshuis afspeelt. En ze worden, zoals dat vaak gepaard gaat met verdriet, heel eenzaam. Als ze dan ten langen leste bij professionele hulpverleners terecht komen, zijn ze vaak ver heen.

Hulpverlener Knappstein: ""Als ik in de spreekkamer het zoveelste tragische geval voor me zie van twee totaal uitgeputte mensen met een weggelopen adoptiekind, denk ik: wat onverdiend. Hun hart en hoofd kunnen het niet meer begrijpen. Ze droomden van het geluk en kregen een tijdbom in huis.''

In het begin nemen Bob en Geertje alles op de koop toe. Hun zoons zijn extreem tolerant, Isabel mag met alles spelen, krijgt eindeloos tekenblaadjes uit hun schetsboeken. Als dank maakt ze hun spullen kapot. Na enkele maanden breekt een periode aan dat elke dag wel iets expres is gemold: dekens zijn uitgeplozen, stukjes lego zijn doormidden gebroken, poppen uit elkaar getrokken. Als Isabel erover wordt aangesproken, is ze onbenaderbaar. Groot wantrouwen. Alsof er een vlies over haar ogen trekt. Urenlange kruisverhoren waarom ze van alles stuk maakt leveren niets op.

Als blijkt dat Isabel ook nauwelijks groeit, fysiek noch emotioneel, wordt de kinderarts ingeschakeld. Hij vindt Isabels toestand zorgelijk en zet Bob en Geertje op het spoor van een psycholoog die ervaring heeft met verwaarloosde kinderen. Ze proberen tegelijkertijd in Colombia meer aan de weet te komen over de achtergronden van Isabel en na enig zoeken komt haar zwerversbestaan aan het licht. Geen wonder dat ze argwanend is tegen volwassenen en voortdurend op haar hoede, denkt Geertje. Het zal wel even duren voordat ze zich in hun gezin veilig zal voelen.

Maanden verstrijken. Isabel kan heel treiterig doen tegen haar broers en tegen haar moeder, maakt scènes bij een tante en doet alsof de jongens haar geslagen hebben. Als Geertje dit alles bij de psychiater aankaart, zegt deze ronduit: Ik hoop dat jullie verdomd goed gemotiveerd zijn om door te gaan, want je hoeft absoluut niets te verwachten! Hij legt uit dat kinderen die in hun vroege jeugd lichamelijk en emotioneel verwaarloosd zijn, in feite ""kleine psychopaten in de dop'' zijn. De kans op genezing is vrijwel nihil, een therapie lijkt hem nutteloos. Zijn advies? Ze moeten gewoon wat harder worden. Bob en Geertje zijn perplex.

Ze zien het nog even aan, maar raadplegen na enkele maanden een andere kinderpsychiater. Isabel is dan acht jaar. Als de psychiater vraagt of ze kan vertellen wat er aan de hand is, zegt ze na een lange stilte: Ik heb heel vaak ruzie met mijn moeder. Na een gesprek met Bob en Geertje trekt de arts zijn conclusie: de situatie is heel ernstig, er is geen goede binding tussen ouders en kind en er is heel weinig kans op verbetering. Isabel is door alles wat vroeger met haar is gebeurd emotioneel erg beschadigd. Ze zal in het gezin grote problemen blijven geven. Hij gelooft ook dat de emotionele druk op Isabel in het gezin haar benauwt, ze zal misschien verder geblokkeerd raken. Hij adviseert uithuisplaatsing, maar uiteraard zijn zij volkomen vrij zelf te beslissen.

Bob en Geertje zijn aangeslagen. Hoe moeten ze verder leven met een gestoord kind in het gezin? Maar naar een internaat? Daarvoor hebben ze haar toch niet geadopteerd. Dus blijft Isabel thuis. Intussen knaagt de twijfel en angst wat er met de twee jongens zal gebeuren als de crisissfeer in het gezin blijft voortduren. Opgekropte woede uit zich in hevige onderlinge vechtpartijen en Tom heeft nachtmerries. Moeizaam gaat het leven verder. Geertje tobt met ondraaglijke rugpijn en even later raakt zelfs Bob, de rust zelve, overspannen.

Op school gaat het slechter en thuis ook. Isabel is ongrijpbaar, stiekem, ritselt en liegt als ze te lang weg is geweest of haar huiswerk niet heeft gemaakt. Ze wordt in huis voor de familie een ""onuitstaanbare pensiongast''. Soms praat ze over Colombia, over Renate, ook een pleegkind. Dan kwam er een man, haar vader of haar oom, moest iedereen weg en gingen de gordijnen dicht. Isabel hoorde haar dan huilen en gillen. Ze vermoedde dat Renate dan straf kreeg. Of was het iets anders?

Intussen wordt Isabel een beginnende puber, tien jaar, en doet met haar vriendinnen stiekem oogschaduw en nagellak op. Geertje heeft allang geen greep meer op haar. Er hangt een vreemd sfeertje om Isabel. Ze ziet er slecht uit, is vaak depressief en maakt veel geld op. Komt regelmatig te laat op school.

Als Geertje op een gegeven moment haar spijkerbroek wil opvouwen, staat ze als aan de grond genageld. Vies en met vuile schoenzolen erop. Die heeft ze dus uitgehad, concludeert Geertje bliksemsnel. Als Isabel binnenkomt duurt het lang voor ze helemaal doorslaat. De ramp is groter dan Geertje ooit kon dromen. Isabel heeft een obsessie voor seks. Ja, veel jongens heeft ze al gehad. Haar ene broer wordt plotseling ziek als hij het hoort, de ander zit lamgeslagen in een stoel, Bob staat kordaat op om van alles te regelen. Nu is het afgelopen, vindt ook de kinderpsychiater die haar op dat moment in therapie heeft. Isabel wordt met spoed opgenomen.

""We konden maar geen afstand van haar doen'', zegt Geertje die in haar boek over de bittere lotgevallen met haar dochter uitvoerig het "geen-bodem-syndroom' beschrijft waar veel verwaarloosde kinderen aan lijden. ""Later besefte ik dat het hier thuis voor haar een fluwelen gevangenis moet zijn geweest.'' Isabel las het boek van haar moeder toen ze dertien was. ""Ik kreeg een enorm schuldgevoel dat ik al die ellende teweeg had gebracht'', zegt ze nu. ""Nadat ik het eerste deel van het boek had gelezen, was ik helemaal kapot en heb met mijn moeder een hele tijd zitten janken. Er zat veel woede en kwaadheid over mijn echte moeder in me, en over die enge zogenaamde moeders in pleeggezinnen. Al die boosheid had ik op Geertje geprojecteerd.''

Dat het thuis niet meer ging, zag ze ook wel. ""Het internaat was een opluchting'', zegt ze over haar vertrek naar de jeugdinrichting. ""Eindelijk rust. Ik had het gevoel dat ik daar pas echt een beetje begon te leven.'' Enthousiast pakt ze haar foto-album en begint te bladeren; het huisje waarin ze woonde, de groep, het fietskamp, en Peter, haar lievelingsbegeleider.

Op een dag, na twee jaar, begon ze naar huis te verlangen. Ze weet het nog precies, het was lekker weer en ze liep met een meisje in de speeltuin. Eigenlijk wist niemand van elkaar waarom ze daar zaten. Daar werd nooit over gepraat. Maar dat meisje begon plotseling te vertellen dat ze uit huis moest omdat haar vader haar seksueel had misbruikt. Isabel schrok hevig. ""Ik dacht: hemel, ik heb toch ouders die iedereen zich zou wensen. Toen realiseerde ik me dat ik daar niet thuishoorde.''

Een uithuisplaatsing kan lucht geven. ""Een verblijf hier beschouw ik als een ziekenhuisopname, die niet definitief hoeft te zijn'', zegt G. van der Most, kinder- en jeugdpsychiater van de kliniek De Ruyterstee in Smilde. ""Een groot aantal adoptiekinderen is getraumatiseerd. Ze hebben bijvoorbeeld tot hun zesde op straat geleefd, uit vuilnisbakken gegeten. Als ze dan in een gewoon Nederlands gezin terecht komen, voelen ze zich onbegrepen en misplaatst. Ze hebben toch al een negatief beeld van zichzelf. Worden ze steeds gecorrigeerd, dan wordt dat negatieve beeld alleen maar bevestigd. Bij sommige kinderen kan het gemakkelijk misgaan. Maar het komt ook voor dat de breuk zich herstelt.

""Het grote verschil met het gezin is dat wij hier niet boos worden. Ouders van adoptiekinderen verwachten van hun kind toch stilletjes wederkerigheid, hartelijkheid. Als er dan, zo lijkt het, een vreemde in hun huis zit, die liegt, rapportcijfers verdonkeremaant, spijbelt en verkeerde vrienden heeft, raken ze ontzet. Voor de behandelaars is dat niet zo. Dat scheelt enorm. Wij hebben emotioneel meer afstand tot de kinderen en vaak blijkt dat heilzaam te zijn.''

De meeste ouders zijn onvoldoende voorbereid op het adopteren van een kind, vindt hij. Daar is een belangrijk deel van de problemen tussen ouders en adoptiekinderen aan toe te schrijven. ""Toen Ceausescu viel in Roemenië, was binnen een week de directeur van Wereldkinderen, de grootste adoptie-organisatie, ter plekke om kinderen te adopteren'', herinnert hij zich. Begin dit jaar grepen duizenden Nederlanders naar de telefoon om een kindje te adopteren uit Bosnië. Van der Most: ""Dat is vragen om moeilijkheden.''

Toch moet ouders niet te snel een verwijt worden gemaakt, vindt hulpverlener Knappstein. ""De overheid schiet schandalig te kort met hulp aan adoptie-ouders, zegt hij. ""Zij hebben een tijdbom in huis gekregen, die ontploft. Wj wisten het, de óverheid wist het. Dan moeten wij, de hulpverlening, en de overheid ook de verantwoordelijkheid nemen om ouders en kind te helpen de problemen op te lossen.''

Knappstein vindt dat adoptie-ouders dezelfde zorg moeten krijgen als ouders met pleegkinderen. ""Pleegouders krijgen professionele hulp zolang het nodig is omdat erkend wordt dat het hier vaak om problematische kinderen gaat. Alleen is bij adoptie geen enkele nazorg geregeld, terwijl deze kinderen misschien nog grotere risico's lopen om af te glijden. Hun voorgeschiedenis is vaak totaal onbekend waardoor ze moeilijker te helpen zijn.''

Onderzoeker Hoksbergen ziet ook veel in gerichte nazorg. De laatste jaren zijn er weliswaar meer hulpverleners gekomen die zich specialiseren in de adoptieproblematiek, maar extra zorg in de vorm van een speciale adoptie-wijkzuster is volgens Hoksbergen noodzakelijk. ""Justitie heeft sinds enige jaren voorlichting verplicht gesteld voor adoptie-ouders naar aanleiding van slechte ervaringen. Maar de meeste ouders hebben hun oren dichtzitten voordat het kind komt'', zegt Hoksbergen.

Gerrit en Marry Toeters hopen dat het zover niet komt. Ze wonen in Nagele, in de Noordoostpolder en hebben vier kinderen, Tineke en Anne, en twee Poolse meisjes, Magda en Agneska. Magda kwam in 1990 toen ze bijna vier jaar was. Ze was na de val van de Muur het eerste Poolse kindje dat via Wereldkinderen naar Nederland verhuisde. ""Magda ging zo met ons mee'', herinnert Marry zich, ""alsof er niets aan de hand was.'' Ze had jaren in een armoedig kindertehuis gewoond waar Gerrit en Marry twee jaar later heel toevallig ook haar zusje Agneska konden ophalen. ""Magda accepteerde ons meteen als ouder'', zegt Gerrit. Ze had geen heimwee naar Polen en de taal leerde ze spelenderwijs. Wel viel haar ouders op dat ze een beetje onzeker bleef en ze vroegen zich af hoe ze Magda weerbaarder konden maken.

Vorig jaar volgden Gerrit en Marry een cursus in Zwolle, georganiseerd door het Adoptiecentrum in Utrecht. Ze wisselden ervaringen uit met andere ouders en deskundigen waarschuwden voor valkuilen. De Utrechtse pedagoge F. Juffer ging bijvoorbeeld in op de manier waarop adoptiekinderen zich wel of niet aan hun nieuwe ouders hechten. Als een baby van maximaal acht weken wordt geadopteerd, is de kans groot dat het kind zich net zo goed aan de adoptieouders hecht als bij biologische ouders en kinderen het geval is, stelt Juffer. Ze wijdde een proefschrift aan het onderwerp dat onlangs verscheen.

Ook leerde de cursus dat ouders die eigen kinderen hebben, het verwachtingspatroon ten aanzien van adoptiekinderen moeten bijstellen. ""Je bent geneigd alles met je eigen kind te vergelijken'', zegt Marry, ""maar dan is de kans groot dat het mis gaat.'' De cursus heeft Gerrit en Marry vooral geleerd bepaald gedrag bij de kinderen eerder te herkennen en te plaatsen. Ze hebben het idee dat het daardoor met hun tweede Poolse dochter Agneska gemakkelijker gaat. Bovendien heeft Agneska een andere voorgeschiedenis: zij is drie jaar door haar Poolse vader opgevoed; Magda woonde in kindertehuizen en heeft veel verschillende verzorgers gehad. Met hun zusjes Tineke en Anne kunnen ze allebei goed opschieten. Gerrit: ""We hebben vier kinderen en dat is hard werken, maar wel heel leuk.'' Allebei vermoeden ze dat het leven met adoptiekinderen zorgelijk kan zijn. ""Maar al komen er problemen, dan hebben ze het hier bij ons altijd beter dan in het kindertehuis in Polen'', zegt Marry.

Het kan lange tijd slecht gaan tussen ouder en kind, maar uit onderzoek naar uithuisplaatsingen van onder andere het Adoptiecentrum blijkt dat de relatie uiteindelijk meestal wel weer beter wordt. Een kwart van de kinderen die thuis onhandelbaar waren en in een psychiatrische inrichting of internaat terecht zijn gekomen heeft geen enkel contact meer met de ouders. Bij de meesten is de verstoorde relatie met hun vader en moeder min of meer hersteld. ""Met de nodige handgrepen is het kind na een verblijf in een internaat of kliniek weer redelijk benaderbaar'', zegt Hoksbergen.

Toen Isabel vanuit de kliniek te kennen gaf dat ze eigenlijk best naar huis wilde, hadden Geertje en Bob gemengde gevoelens. Maar de hulpverleners vonden het te vroeg en dus werd ze doorgestuurd naar een ander internaat. Sindsdien is er veel gebeurd.

Isabel is nu zeventien en woont op kamers. Ze is klein, donkere krullen, rode lippen en heeft een innemende lach. De eerste Polaroid-foto van haar als kleuter staat in de vensterbank. Haar enige bezit uit Colombia. Ze wil graag receptioniste worden en werkt hard aan een beroepsopleiding.

Laatst zei Isabel iets waar Geertje heel gelukkig van werd. Ze zei: mam, als ik aan mijn leven denk, dan horen jullie daarbij. Dat vond Geertje fantastisch.

    • Michèle de Waard