"Welvaart hangt af van economische integratie'

Lawrence Summers (38) werd enkele maanden geleden door president Clinton benoemd tot onderminister voor internationale economische zaken. Als Harvard-hoogleraar bepleitte hij altijd de vrije-markteconomie, omdat de hele wereld daar beter van wordt. Die visie strookt volgens hem volledig met het mede door hemzelf uitgestippelde beleid van de Amerikaanse regering. Vraaggesprek met een overbezet topeconoom

WASHINGTON, 5 JUNI. Op de werkkamer van professor Lawrence ("Larry') Summers in het neo-klassieke gebouw van de "Treasury', pal tegen het Witte Huis gelegen, is het een komen en gaan van ambtenaren. Zij praten met de onderminister van financiën over de Amerikaanse bijdrage aan de Wereldbank. Elders wachten alweer andere functionarissen voor een volgend onderwerp.

Summers zit op een post die traditioneel is gereserveerd voor economen die sterk op vrijhandel zijn georiënteerd. Het ministerie van financiën is altijd pleitbezorger voor een open economie geweest. Daar tegenover staat het ministerie van handel, dat zich meer bekommert om het lot van de nationale industrie. Een van Summers' taken is het overleg van de zeven rijke industrielanden (G-7) nieuw leven inblazen. Zeker nu de wereldeconomie in een recessie dreigt te raken een uiterst belangrijke taak. Een niet minder gewichtig onderdeel van Summers' portefeuille is de hulp aan de voormalige Sovjet-Unie.

Summers lijkt meer dan wie ook te beseffen wat er op het spel staat. Eind vorig jaar gaf hij zijn visie tijdens een door Clinton in Little Rock georganiseerde mammoetconferentie over de economie. “Na de Eerste Wereldoorlog was er geen leiderschap. Naties waren in zichzelf gekeerd. Geen pogingen werden gedaan de verslagen mogendheden te rehabiliteren en te herintegreren. Er volgden twintig jaar van stagnatie, depressie, en uiteindelijk de Tweede Wereldoorlog. Daarna werden de dingen heel anders. De Verenigde Staten namen de leiding. De wereldeconomie werd meer een geheel. Met een verlicht beleid, het Marshall Plan, probeerde de Amerikaanse regering de verslagen mogendheden weer op de been te helpen. Daarop volgden de beste veertig jaar van economische groei in de wereldgeschiedenis. Nu is de Koude Oorlog voorbij. Zal het uitdraaien op de ongelukkige ervaring na de Eerste Wereldoorlog of op de gelukkiger periode na de Tweede Wereldoorlog? Dat is de vraag die de komende vier jaar zal worden beantwoord.”

Larry Summers is een econoom pur sang. Letterlijk. Zijn ouders waren beiden hoogleraar economie aan de Universiteit van Pennsylvania. En tegen de met de Nobelprijs bekroonde economen Kenneth Arrow en Paul Samuelson moet hij oom zeggen. Op zijn 28-ste was Summers zelf al hoogleraar politieke economie aan de Harvard University. Vorige maand kreeg hij de John Bates Clark Medal, die eens in de twee jaar wordt toegekend aan de beste Amerikaanse econoom onder de 40 jaar

In 1991 werd hij chef-econoom bij de Wereldbank in Washington. Summers kwam er vooral in het nieuws door het uitlekken van een notitie , waarin hij suggereerde vervuilende industrieën naar "ondervervuilde' ontwikkelingslanden, met name in Afrika, te verplaatsen. Hij deed het memo later als "ironisch' af. Wegens dit incident verhinderde vice-president Al Gore dat Summers voorzitter werd van de presidentiële raad van economische adviseurs. Toch heeft Summers op zijn huidige post minstens zo veel invloed.

Summers geldt als een kampioen van de vrije markt. “Hervormingen kosten wel tijd, maar hebben overal in de wereld gewerkt. Dat is de ervaring in Duitsland na de Tweede Wereldoorlog, meer recent in Mexico en Chili,” zei hij in Little Rock. “En dat staat te gebeuren in Polen. Dat heeft zijn export naar het Westen meer dan verdubbeld. En er zijn tienduizenden nieuwe ondernemingen ontstaan, niet alleen in de dienstverlening.”

Buitenlandse betrokkenheid bij hervormingen elders kan volgens hem “doorslaggevend” zijn. “Het is onze taak de economische hervormingen elders te versnellen,” zegt hij. “Kijk naar de feiten. Vorig jaar hebben meer Chinese studenten in de Verenigde Staten gestudeerd dan Russen in de hele periode sinds de Tweede Wereldoorlog.”

Ziet u de internationale economische samenwerking werkelijk toenemen?

“Het proces van de G-7 heeft een geweldige start gemaakt in de eerste honderd dagen van Clintons presidentschap. We hebben drie bijeenkomsten gehad. We hebben beleidswijzigingen gezien in elk van de drie belangrijkste groeipolen in de wereld. In de Verenigde Staten zijn substantiële maatregelen aangekondigd om het overheidstekort terug te dringen. De obligatiemarkten reageerden er positief op. In Duitsland en andere Europese landen zijn al pogingen van betekenis gedaan om de rente te verlagen. En meer lijkt in het verschiet te liggen. Japan heeft een nuttige eerste stap heeft gezet in fiscale stimulering. Er wordt nu algemeen erkend dat economische groei het belangrijkste probleem in de wereld is. En ook dat het bereiken van meer groei daden vereist in elk van de drie economische polen, en dat overal vermindering nodig is van overschotten en tekorten.

“Tegelijkertijd heeft de G7 binnen tien weken na de ambtsaanvaarding door de Amerikaanse president een dramatische stap gezet door grootscheepse steun aan Rusland aan te bieden.”

Waarom is er op deze punten plotseling meer vaart in gekomen?

“De Amerikaanse regering heeft in het overleg van de G-7 een nieuwe toon gezet door actie te ondernemen op het punt van het Amerikaanse overheidstekort - waar de rest van de wereld al zoveel jaren om vroeg. Ik denk dat de grote ervaring van minister Bentsen van financiën het mogelijk heeft gemaakt dat de landen in het kader van de G-7 op een informele en collegiale manier met elkaar konden praten. Dat is veel effectiever gebleken dan de openbare commotie uit het verleden.”

Toch horen we uiteenlopende geluiden uit Washington, bijvoorbeeld over handel. De Amerikaanse regering praat over streefgetallen voor bepaalde exporten naar Japan. Dat klinkt anders dan internationale samenwerking. Hoe ziet u dat?

“Kijk, het is pro-vrijhandel en anti-protectionisme om erop aan te dringen dat Amerikaanse producenten van carburateurs een kans krijgen hun produkten aan Japanse consumenten te verkopen. Hetzelfde geldt voor onze eis dat Amerikaanse bedrijven de gelegenheid krijgen offertes te doen voor Europese bouwcontracten van de overheid.”

Maar u bent toch altijd voorstander geweest van macro-economische oplossingen, in plaats van gereguleerde handel in de vorm van specifieke streefgetallen voor marktaandelen?

“Dat zijn allemaal frasen. Het is duidelijk dat we kampen met onevenwichtigheden in de wereld zoals het Japanse handelsoverschot, het Amerikaanse handels- en budgettekort. Daarin speelt de macro-economische politiek een zeer grote rol. Maar naast het voeren van macro-economisch beleid is het absoluut noodzakelijk de liberalisatie op micro-economisch niveau aan te pakken. Daarom wil deze Amerikaanse regering de Uruguay-ronde over wereldwijde handelsliberalisatie en het Noordamerikaanse vrijhandelsakkoord met Mexico en Canada laten slagen. Daarom is deze regering er ook op uit de barrières voor buitenlandse produkten in Amerika en Japan te verkleinen.”

Maar streefgetallen voor marktaandelen zijn toch in strijd met die visie?

“Je kunt de mate waarin een markt open is natuurlijk niet meten zonder te kijken naar de hoeveelheden produkten die er verkocht worden. Niemand praat over het reguleren van het hele handelssysteem. Maar het is relevant naar concrete resultaten te kijken. En dat zullen we zeker doen.”

Moeten we bang zijn voor de nieuwe groeieconomieën, China, Latijns-Amerika, Oost-Azië? Moeten we ons beschermen?

“Absoluut niet. De Verenigde Staten zijn de meest open markt ter wereld voor de minder ontwikkelde landen. In Amerikaanse industriegoederen zit een veel groter importdeel uit minder ontwikkelde landen dan in dezelfde soort goederen uit de EG of Japan. Ook de groei van de import uit die landen is in de VS veel groter dan in de EG of Japan.

“De Verenigde Staten neemt het leeuwe deel van de export van de ontwikkelingslanden naar de gendustrialiseerde wereld voor zijn rekening. Het gaat er ons om dat ze van de Japanners en Europeanen een vergelijkbaar eerlijke behandeling krijgen.”

Volgens de klassieke visie van Ricardo doet in een situatie van vrijhandel elk land datgene waarin het het beste is (comparatieve voordelen). Dat zou tot een maximale welvaart in de wereld leiden. Zijn de rijke industrielanden, die allemaal hun handels- en industriebeleid willen voeren om de eigen werkgelegenheid te creëren of behouden, niet bezig zich van deze visie af te keren?

“De wereld is natuurlijk voorbij het stadium dat de aanwezigheid van natuurlijke hulpbronnen de bepalende factor is van de handelspatronen. De meeste handel betreft per slot van rekening leveringen tussen fabrieken onderling. En die zijn niet gebaseerd op comparatief voordeel. Het is zeker waar dat comparatieve voordelen niet simpelweg geërfd zijn. Denk aan de rol van hoger onderwijs waarin Amerika bijvoorbeeld veel in heeft genvesteerd. Wat dit betreft zijn de discussies over handel ontstegen aan de simpele Ricardiaanse visie. Maar het idee dat economische integratie cruciaal is voor welvaart, dat concurrentie de efficiency vergroot en dat grotere markten het mogelijk maken schaalvoordelen te behalen, blijft kernpunt van het Amerikaanse handelsbeleid. Zoals president Clinton het zei: "we moeten concurreren, niet retireren'.”

Is het concept om economie als een zaak van nationale veiligheid te beschouwen, zoals de VS doen, niet in tegenspraak met internationale samenwerking?

“Er is geen enkele tegenstelling in het idee dat welvaart essentieel is voor veiligheid en de wenselijkheid van steun aan het multilaterale systeem. Er zal geen multilateraal systeem zijn, indien grote regio's in de wereld volharden in het gebruik van allerlei informele handelspraktijken om allerlei soorten export buiten de deur te houden. Zo'n systeem blijft dan niet multilateraal. Wanneer wij bezig zijn oneigenlijke handelsbarrières weg te halen, dan maken we het multilaterale systeem juist duurzamer, zowel in economisch als in politiek opzicht. We kanaliseren zo de energie in de juiste richting om politieke steun te genereren voor een multilateraal systeem. Dit zou anders onmogelijk zijn, zeker in een tijd dat buitenlandse markten veel minder open zijn dan Amerikaanse.”

Aan de andere kant heb je "Super 301' waarmee de VS tegen de regels van de GATT (Algemene Overeenkomst over Tarieven en Handel) eenzijdig sancties kunnen opleggen.

“Wat je moet blijven zien is dat Amerikaanse markten de meest open zijn in de wereld. En wij zijn vastbesloten ervoor te zorgen dat anderen met ons mee doen en hun markten net zover openen als wij.”

Critici van Clinton menen dat hij te veel in de richting neigt van meer overheidsbemoeienis met de economie, wat de groei in de VS en elders zou kunnen schaden. Is de president eigenlijk wel een niet-traditionele Democraat, die dus minder overheid wenst?

“Deze president heeft meer dan 150 miljard dollar bezuinigd bij de opstelling van de begroting. Clinton heeft investeren in groei op zijn agenda. Clinton heeft geen herverdeling op zijn agenda. Clinton heeft geen uitkeringen op zijn agenda. Clinton staat voor persoonlijke verantwoordelijkheid, open markten en internationale economische integratie. Daarin wijkt hij wezenlijk af van vorige Democratische presidenten.”

De drukbezette Larry Summers had een gesprek van tien minuten toegezegd. Wanneer de band 9 minuten en 53 seconden heeft gelopen klinkt uit zijn mond dan ook het onverbiddelijke "thank you gentlemen'.

Op de gang wachten alweer ambtenaren die de jonge onderminister moeten bijpraten over de Poolse buitenlandse schulden. Voor Amerika roept het buitenland altijd.

Dit is het tweede deel van een serie vraaggesprekken met topeconomen over de verandering van de wereldeconomie. Het eerste deel verscheen op zaterdag 29 mei.

    • Hans Buddingh'
    • Maarten Huygen