Voor Spanjaarden is Europese droom ten einde

Wat de uitkomst van de Spaanse verkiezingen morgen ook zal zijn, ze markeren het einde van een tijdperk. Felipe González, de ideale schoonzoon van Willy Brandt en Olof Palme, de beste leerling van de Europese klas, zal na 6 juni het hoofd moeten buigen en zich de komende jaren bezig moeten houden met de dagelijkse problemen van Spanje, dat after all toch nog steeds een land blijkt te zijn van weinig regen en rode aarde, van schrale landbouw en ouderwetse industrie, van snelle modernisering maar grote werkloosheid - en niet de natie die met een enorme sprong een achterstand van eeuwen zou overbruggen om de aansluiting met West-Europa volledig te herstellen. Of González met zijn neus op de werkelijkheid wordt gedrukt als oppositieleider of aan het hoofd van een wankele coalitieregering, doet in dit verband niet eens zoveel terzake. Belangrijker is, dat de Europese droom ten einde is en dat zowel politici als kiezers nu beseffen dat er geen wondermiddelen bestaan.

Elf jaar en drie kabinetten lang heeft González met een absolute meerderheid kunnen regeren en vorm kunnen geven aan zijn "historische project': de verandering van de Spaanse maatschappij in al zijn facetten. Daarbij inbegrepen waren niet alleen de economie en het bestuur, maar ook de rechtspraak, de cultuur, het onderwijs, de gezondheidszorg, de pers, de verhouding tussen kerk en staat en wat al niet. “Als wij klaar zijn met dit land,” placht zijn vice-premier Alfonso Guerra te zeggen, “zal zijn eigen moeder het niet meer herkennen.” Dat er onnoemelijk veel veranderd s, valt niet tegen te spreken. Maar dat het niet genoeg is geweest en niet naar ieders genoegen, zal morgen blijken bij het tellen van de stemmen.

Een belangrijke bron van ongenoegen vormt de stijl van leidinggeven die de socialisten er op na hebben gehouden. Door net te doen of hun partij, die in de oppositie tegen Franco nog een onbeduidende rol speelde, de enige vertegenwoordiger was van progressief Spanje en door anderen bij voorbaat uit te sluiten van het grootscheepse moderniseringsproject hebben ze veel kwaad bloed gezet. Zo overtuigd van hun eigen gelijk waren de nieuwe bestuurders dat ze af en toe zonder veel scrupules de splinternieuwe wetten van de democratie omzeilden of naar hun hand zetten: ondernemers moesten maar een bijdrage leveren aan de partijkas als ze de opdracht voor een nieuwe weg of spoorlijn wilden verwerven. In hun, overigens volledig geslaagde, streven om leger en politie van een potentiële bedreiging voor de jonge democratie om te vormen tot een loyaal instrument identificeerden de verantwoordelijke bewindslieden zich af en toe volledig met de geest van deze korpsen: martelingen werden niet vervolgd, de nieuwe politiewet geeft vrijwel onbeperkte mogelijkheden tot huisvredebreuk.

De rechterlijke macht staat onder de permanente druk van politieke benoemingen. De staatstelevisie werd een subtiel propaganda-instrument. Het doel heiligde steeds de middelen, maar de middelen deden af en toe verdacht veel denken aan die van de oude machthebbers. Vooral de pers en een groot aantal intellectuelen hebben zich om die reden teleurgesteld of zelfs walgend afgewend van de partij die ze in 1982 nog enthousiast steunden.

Deze onvrede was een academische kwestie gebleven, iets voor de café's en de salons van de grote steden, als er in ieder geval op economisch gebied doorslaggevende successen waren geboekt. Maar wat de burger op dit moment na een aantal voorspoedige jaren merkt is dat hij ongenadig door de crisis wordt getroffen. Hier wreekt zich de enigszins naëve fixatie van González op Europa. Jarenlang heeft hij gemeend en verkondigd dat een zo volledig mogelijke aansluiting bij de rest van de EG de oplossing zou zijn voor alle kwalen van zijn land. Hij gebruikte daarbij vaak vergelijkingen ontleend aan de sportwereld. Als het zwakke Spanje nu maar zijn tanden op elkaar zette en zich vastklampte aan de snelste lopers in de race zou bij de finish heel goed kunnen blijken dat het samen met de kampioenen was binnengekomen.

Om twee redenen was de Europese heilsleer aanvankelijk makkelijk te geloven. Ten eerste was West-Europa gedurende de decennia van de dictatuur altijd geassociëerd met vrijheid en vooruitgang, dus waarom zou dat nu opeens anders zijn. In de tweede plaats werd Spanje direct na de toetreding tot de EG in 1986 inderdaad overspoeld door buitenlandse investeerders. Pas sinds kort begint duidelijk te worden dat die Duitse en Franse en Nederlandse ondernemers voor een deel speculanten waren gen- teresseerd in de hoge rentestand en de harde peseta en voor een ander deel niet alleen investeerders maar ook saneerders en inkrimpers, vertegenwoordigers van multinationals die in de eerste plaats belang stelden in het openleggen van een grote markt en in veel mindere mate in het scheppen van werkgelegenheid in Spanje, dat allang geen lage lonen-land meer is.

Het grote enthousiasme voor de Europese gedachte dat opiniepeilingen tot voor kort in Spanje registreerden is onder invloed van deze ontwikkelingen het laatste jaar snel aan het dalen. Ik zal niet snel de ontreddering vergeten die ik tegenkwam tijdens een recente reis door de noordelijke provincies, tot voor kort de trots van Spanje door de rijke traditie op het gebied van industrie, veeteelt en visserij. Fabriek na fabriek wordt er gesloten, boer na boer brengt er zijn laatste koe naar het slachthuis doordat er plotseling goedkope produkten uit andere EG-landen op de markt verschijnen. Gebieden die vijf jaar geleden nog gastarbeiders nodig hadden, noteren nu de hoogste werkloosheidscijfers van Spanje en Spanje heeft inmiddels het hoogste percentage werklozen van de EG.

Tijdens die reis stond ik op een avond te praten met een groepje Cantabrische boeren, die niet meer konden leven van het melkvee dat hun vaders en grootvaders tot welvarende lieden had gemaakt. In het dal lag de melkfabriek, een familiebedrijf met de fraaie naam De Goede Herder, waar de administrateurs hadden uitgerekend dat het per tankauto importeren van melk uit Nederland, een kleine tweeduizend kilometer verder, voordeliger is dan het naar beneden sjouwen van de bussen uit de omliggende heuvels. Het waarom van deze keiharde werkelijkheid was alleen maar uit te leggen met behulp van abstracte principes, zoals het recht op vrije mededinging, en door te vertellen dat in Brussel weliswaar een landbouwbeleid wordt gevoerd maar nog veel meer een transportbeleid.

De EG kwam op deze mensen af als Stalins landbouwhervorming op de koelakken, misschien wel rationeel maar evengoed onmenselijk, en een zelfde gevoel hebben de mijnwerkers van Asturië, de scheepsbouwers van Galicië en de metaalarbeiders in Baskenland. Ze hebben González in de jaren tachtig niet alleen hun stem gegeven omdat hij Europeaan was, stellen ze nu verontwaardigd vast, maar ook omdat hij socialist beweerde te zijn. En horen socialisten zich niet in de eerste plaats te gedragen als goede herders?

De oppositie van rechts probeert de dreigende verkiezingsnederlaag de laatste weken in Europees perspectief te plaatsen door er op te wijzen dat Spanje - met Denemarken - het enige EG-land is dat nog een socialistische regering bezit. De onvrede met het regeringsbeleid heeft echter meer te maken met een gebrek aan socialisme dan met een teveel. Als ik de stemming goed peil worden de socialisten van González namelijk niet gezien als grijze bestuurders die een deken van ambtelijkheid over de natie hebben gelegd waarin de vitale impulsen van de markt zijn gesmoord.

Het beeld is eerder dat van snelle jongens in vlotte pakken, voorzien van autotelefoons en adviesbureau's, die het ene industrieterrein na het andere "projecteren', die liever vandaag dan morgen opsplitsen, face-liften en privatiseren en die het in het algemeen een achterhaalde zaak vinden om een steen op de andere te laten staan. 's Avonds vind je ze niet in de volksuniversiteit maar in de opera. Een aanwijzing voor de juistheid van deze indruk is de groeiende populariteit van de communisten en voormalige communisten, die moeilijk te danken kan zijn aan de gebleken soliditeit van hun ideologische basis maar vooral te maken heeft met hun soberheid en hun aandacht voor problemen op straatniveau.

De verkiezingscoalitie Verenigd Links behaalt als de tekenen niet bedriegen morgen relatief de grootste winst. In Italië en Frankrijk doen zich vergelijkbare verschijnselen voor. De oude Drees zou op het ogenblik vermoedelijk in half Europa nog altijd verkiezingen kunnen winnen.

González en zijn partij hebben tijdens de afgelopen campagne betoogd dat links en rechts nog altijd geen achterhaalde categorieën zijn en daarbij teruggegrepen op de hevige tegenstellingen die tijdens en na de burgeroorlog het land verdeeld hielden. Dat is een zwaktebod en tegelijkertijd het beste bewijs dat hun beoogde modernisering nog lang niet is voltooid. Aan de andere kant: verkiezingen zijn oorlog, ook al zijn ze bedoeld om oorlog te voorkomen, en de angst voor rechts is in grote lagen van de bevolking nog altijd zo groot dat hij wel degelijk met succes valt te benutten.

De trouwste aanhang heeft de socialistische partij op het platteland van Andalusië en Extremadura, waar de armoe generaties lang het bitterst is geweest en de dankbaarheid voor pensioenen en uitkeringen nu dan ook het grootst. Hoe vaak de lijsttrekker van de rechtse Partido Popular ook verzekert dat hij die sociale voorzieningen volledig intact zal laten, in deze streken gaat men ervan uit dat je weet wat je hebt (en van wie) en niet wat je krijgt.

In de grote steden en in het noorden zal rechts naar alle waarschijnlijkheid flink aan belang winnen, maar ook hier zullen vooral oudere kiezers in het stemhokje af en toe denken aan het spreekwoord: "het kwaad dat je kent is beter dan het goede wat nog moet komen'. Het is zelfs heel goed mogelijk dat burgers die in de enquêtes van de afgelopen weken hun onvrede uitten door te zeggen dat González hun stem niet meer krijgt, op het laatste moment toch terugdeinzen voor het perspectief van een rechtse regering. Want zelfs als die een jong en modern gezicht heeft is ze belast met de zonden van een ondemocratisch verleden. Daarom kunnen veel commentatoren maar moeilijk geloven dat de Partido Popular morgen werkelijk de meeste stemmen trekt, ook al wijzen alle peilingen van de laatste weken in die richting.

Een regering onder aanvoering van rechts zal economisch herstel trachten te bewerkstelligen door forse bezuinigingen op de overheidsuitgaven, inclusief de ambtenarensalarissen, en een beleid dat zo protectionistisch is als binnen de EG-regels maar mogelijk. Engeland, en vooral het Engeland van Margaret Thatcher, is het referentiepunt.

Maar ook González moet het na de top van Edinburgh duidelijk zijn geworden dat het federale Europa vol onderlinge solidariteit waar hij zijn zinnen op had gezet er niet zal komen. Het lijkt er eerder op dat de EG vooral een gemeenschappelijke markt wordt zonder gemeenschappelijk sociaal beleid, een vrij speelveld voor de sterke industrieën van West-Europa. Opeens blaast er een ijskoude wind uit het bevriende noorden en de consequentie daarvan moet zijn dat hij zich niet meer naar de strenge monetaire voorschriften van de Bundesbank richt, maar teruggrijpt op klassieke recepten uit de socialistische keuken: een stimuleringsbeleid met behulp van overheidsinvesteringen, een actieve industriepolitiek en het bijleggen van de vete met de vakbonden, die de huidige regering al jaren afschilderen als "neo-liberaal'. “We gaan niet op de oude voet door,” beloofde González deze week in zijn laatste toespraken. Hoe de uitslag er morgen ook uitziet, Spanje trekt zich op zichzelf terug.