Sarajevo ruist, wij blijven zwerven

Een eigen kamer. Bijna een jaar naar haar komst in Nederland is deze wens van Janny Nozinovc (14) in vervulling gegaan. Samen met haar moeder en haar broertje Salih woont ze sinds kort in een caravan op het terrein van het tijdelijk opvangcentrum in Den Bosch. Haar tane Nura is met twee oudere Bosnische vrouwen achtergebleven in kamer A-116. “We kregen de sleutel van het huisje om op te gaan ruimen en wat spullen neer te zetten. De hele dag heb ik geboend, schoongemaakt en spullen overgebracht. Om 9 uur 's avonds gaven we de sleutel van het huisje terug. Daarna heb ik een uur onder de douche gestaan. We konden radio Sarajevo niet ontvangen - het ruiste te veel - maar we zaten toch tot drie uur in de ochtend op. Ik kon niet slapen, ook al was ik moe. Ik dacht erover na hoe het zou zijn als ze zouden komen en zeggen: kom, pak alles in, jullie gaan terug naar Bosnië. Zvornik is vrij. We zouden zeker de helft van de spullen vergeten om maar zo snel mogelijk te kunnen vertrekken”, schreef ze in haar dagboek.

Een droom, dat weet ze. Ook haar moeder houdt er nauwelijks rekening meer mee dat ze haar geboorteland ooit nog terug zal zien. Ze lachen om het gepraat van politici, om de voorstellen die met de moed der wanhoop worden geformuleerd. Nog niet zo lang geleden ging dat lachen over in huilen, nu overheerst het cynisme en klinken diepe zuchten. “De Serviërs tarten de hele wereld. Ze weten dat er alleen wordt vergaderd, dat niemand iets onderneemt, dat de Russen hen nooit zullen laten vallen. Daarom zijn ze niet bang. Zij zullen alles inpikken, doorgaan met uitmoorden. En wij? Wij blijven zwerven.”

“Ik denk steeds vaker in de verleden tijd. Probeer me te herinneren hoe het vroeger was. Het heeft geen zin meer om vooruit te kijken”, zegt ze na een wandeling door het centrum van Tilburg. Er moesten zomerschoenen worden gekocht. Zwart is nog steeds haar favoriete kleur. “Kun je dáárop lopen? Kijk eens naar die hakken!” Sierlijk draait ze zich voor de spiegel om en haar blik laat aan duidelijkheid niets te wensen over: deze zwarte hakjes wil ze. “Moeder zal wel boos zijn, zij heeft net zo'n smaak als jij.”

Anders dan een half jaar geleden loopt ze kledingzaken niet langer in en uit. Toen ze twee weken geleden kledinggeld kreeg, legde ze het meteen opzij. Voor als ze tóch teruggaat. “Of we sturen het naar mijn vader of naar familie in Kroatië. Ik denk helemaal niet meer aan kleding of aan mooie dingen, alleen nog maar aan jullie. Hebben jullie te eten en kleren? Ik zou wel in lompen willen rondlopen als ik maar in Tuzla was. Maar ik ben hier, ik beweeg niet. Mijn leven is het afgelopen jaar voor honderd procent veranderd. Mijn hart barst van verdriet en zorg om jullie.”

Zelfs de disco vermag niet langer voor afleiding te zorgen. Ze kleedt zich er ook niet meer speciaal voor aan. “De muziek is nog wel goed, maar de sfeer is weg. Ik ga er nu heen in spijkerbroek, een kort wit T-shirt en een jack. Laatst draaiden ze al onze platen. Ik ging de recreatiezaal uit om te huilen. Ik kan het niet vatten dat anderen wandelen in onze straten, zitten in onze schoolbanken en zich vermaken bij de Drina. Dat ze niet aan hun eigen huizen denken maar aan datgene wat ze veroverd hebben. Een man zei op de TV: ik kwam vroeger nooit in Zvornik, maar nu woon en werk ik hier en ik zal vechten voor die stad. Hij zal vechten voor iets wat niet van hem is”, schreef ze in haar dagboek.

Deze dagen denkt ze veel aan haar school in Zvornik. Aan de overgangsexamens en vooral aan het schriftelijk Servo-Kroatisch waar ze steevast een laag cijfer voor kreeg. “De schriftelijke opdrachten wist ik uit mijn hoofd, en nu, nu kan ik geen zin onthouden terwijl ik wel weet waarover het gaat.” De dood - zelden heeft ze het daar nét over. “Ik wil hier niet sterven en begraven worden. Want stel dat moeder en Salih toch op een dag zullen teruggaan, wie zal dan nog omkijken naar mijn graf?”