Recessie

Op deze staking van het openbaar vervoer in Amsterdam had ik me verheugd.

Een ander straatbeeld: drommen mensen, met aktentassen gehaast naar het werk, de rijweg vol opstoppingen en ik lopend door straten die ik in geen jaren had gezien omdat ze nu eenmaal "buiten de route' liggen. Het zou iets ouderwets hebben, een vleugje smaak uit de tijd van de wederopbouw. Het zou me doen denken aan Oosteuropese hoofdsteden toen die nog onder communistisch beheer stonden: ook dat gedrang en gewemel op de stoep omdat daar alleen de nomenklatoera in de auto zat. Het zou vooral een andere stad zijn, zoals het een andere stad is na een etmaal van sneeuwjacht of een storm met orkaankracht. Een staking van het openbaar vervoer verschilt in dit opzicht niet van een zwaar natuurverschijnsel. Dat verwachtte ik, maar de werkelijkheid maakte korte metten met de verbeelding.

Om beter te verklaren wat ik bedoel bedien ik me van een degelijk reactionair hoofdartikel in deze krant van 1 juni j.l. Het heet Tweede Pinksterdag. Nadat de schrijver de lof van het mooie weer heeft gezongen en de godsdienstige achtergronden geschetst (viering van de uitstorting van de Heilige Geest vijftig dagen na Pasen) plaatst hij zijn geclausuleerde kritische kanttekening. Hij verheelt zich niet dat ""vrije dagen bij de aangename verworvenheden van de post-industriële samenleving horen'', maar het moet niet te dol worden. ""Als tweede Pinksterdag een gewone werkdag was geweest, zou de nationale economie zoveel hebben geproduceerd dat de recessie die inmiddels officieel is bevestigd, statistisch zou zijn weggewerkt.'' Aan de slag luiwammesen, lees ik tussen de regels. Het lijkt hier langzamerhand wel of de zondeval nooit heeft plaatsgevonden.

Ik heb er nog even de Bijbel op nageslagen. Het staat al in Genesis, 2:17 en verder: ""En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegend zult gij daarvan eten zolang gij leeft, en doornen en distels zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.'' (cursivering S.M.) Dat klinkt heel anders dan "de verworvenheden van de post-industriële samenleving'.

Nu staakte het Amsterdamse openbaar vervoer. Het leek wel derde Pinksterdag, even prachtig weer als de tweede en om kwart over acht 's ochtends even rustig. Op een stille stoep kwam ik pater Van Kilsdonk tegen. Het was alweer een poosje geleden, we schudden elkaar de hand en ik merkte op dat hij al vroeg aan de wandeling was. ""Nee nee nee,'' zei hij. ""Ik wandel niet eens, ik kuier. Iedere ochtend ben ik al vroeg aan het kuieren. U loopt; ik kuier.'' We wisselden nog wat welgemeende vriendelijkheden uit en gingen ons weegs.

Ja, nadenkend liep ik verder. Ik zag mezelf als loonslaaf, een versleten koffertje met stukken dragend, snel benend op weg naar het bureau. Waar waren de andere loonslaven? Nergens zag ik de drommen die ik had verwacht. Van tijd tot tijd had ik een tegenligger, een wolk van geuren achter zich aan wervelend. Jaren geleden ben ik eens een stukje begonnen met de zin: 's Ochtends ruikt de tram naar zeep. Of misschien heb ik dat stukje niet eens geschreven; alleen die zin onthouden omdat ik daarin allerlei aardigs in samengevat vond: hoop, illusie, een vreedzame werkzaamheid, zorgvuldigheid. Deze tegenliggers op derde Pinksterdag roken niet naar zeep. Ze hadden zich met een complex geurenpalet bewerkt, aftershave, poeders, eau de toilette, haarspray, en omdat het nagenoeg windstil was ontstond er een langgerekt zog zoals dat van een veerboot op een stille zee, maar dan onzichtbaar. Ze maakten niet de indruk dat ze gehaast op weg naar hun werk waren. Zou er een verband bestaan tussen geuren en arbeidsethos? Dat is niet het onderwerp van deze beschouwing, maar het lijkt me een onderwerp voor een veelbelovend onderzoek.

Vooruitlopend op de resultaten daarvan waag ik me aan de volgende hypothese. Stakingen van het openbaar vervoer leiden in de post-industriële samenleving tot vermeerdering van de overigens niet als zodanig erkende vrije feestdagen. Alleen de mensen die in het woon-werkverkeer op de fiets komen en gaan, merken er niets van. Hieruit volgt dat de fietsende werkende mens de ruggegraat van onze economie blijft vormen. Als er geen fietsende werkneemster en werknemers waren, zou de recessie veel erger zijn.

    • S. Montag