NIET MEER DAN ONDEUGENDHEID

Frankrijk, fin-de-siècle door Eugen Weber 315 blz., gell., Agon 1993, uit het Engels vertaald door Paul Heijman (France, fin-de-siècle, 1986), f 59,90 ISBN 90 5157 132 1

Lange tijd heeft de Franse Revolutie gegolden als de breuk tussen oud en nieuw, als het begin van de wereld waarin we nu leven. De Fransen noemen de periode van na 1789 nog graag histoire contemporaine, eigentijdse geschiedenis. De laatste decennia is meer en meer het besef doorgedrongen dat de negentiende eeuw in veel opzichten niet "eigentijds' is. Pas aan het eind van die eeuw ontstond bijvoorbeeld de moderne politiek met grote politieke partijen en een achterban die nu via nieuwe massamedia en een nieuw, uitgebreid wegennet voor het eerst bereikt kon worden.

Eugen Weber behoort tot de historici die hebben laten zien dat het einde van de negentiende eeuw een breuk heeft betekend van met de Franse Revolutie vergelijkbare proporties. Na zich als historicus bewezen te hebben met boeken over Franse politiek en Frans nationalisme, werd hij beroemd met zijn in 1976 verschenen Peasants into Frenchmen. In dit boek beschrijft hij de "modernisering' van het Franse platteland tussen 1870 en 1914. Hij toont aan dat de bevolking in afgelegen gebieden amper van het bestaan van de Franse staat op de hoogte was. Pas de verbetering van onderwijs, infrastructuur en informatievoorziening onder de Derde Republiek begon na 1870 in deze situatie verandering te brengen - en van "boeren' "Fransen' te maken.

De indruk die Weber met zijn boek maakte kan men alleen al afmeten aan het feit dat hij er in slaagde de gesloten Franse academische wereld te veroveren: als buitenlander die in Cambridge studeerde en in de Verenigde Staten doceert mocht hij bijvoorbeeld een hoofdstuk schrijven in de prestigieuze reeks Les lieux de mémoire.

AMERIKAANS COMFORT

Na zijn grote boek hield Weber een probleem over. Onbekommerd had hij de afbraak van bar isolement en bizarre gebruiken beschreven. Hoe kon nu een periode die voor zoveel mensen vooruigang betekende beschreven worden als crisis en ondergang, als fin-de-siècle? Dit probleem lost hij op in Frankrijk, fin-de-siècle dat oorspronkelijk in 1986 verscheen. De oplossing ligt nogal voor de hand: veranderingen die voor velen verbeteringen waren, werden door anderen als de ondergang van een oude wereld beleefd. De onzekerheid en onrust die de veranderingen met zich meebrachten, leverden de met het fin-de-siècle verbonden gevoelens van crisis, neurose en decadentie op.

Materiële vooruitgang had een keerzijde. De komst van het "Amerikaanse comfort' van waterleiding en dus vaste kranen betekende dat een schrijver als Edmont de Goncourt zich niet meer zo gemakkelijk als voorheen op iedere gewenste plek in zijn vertrekken kon poedelen. De Goncourt had er echter geen bezwaar tegen dat zijn contracten in het vervolg "gedrukt' werden "op een kleine piano': de typemachine.

Weber schrijft in de inleiding dat ""we niet bang moeten zijn om te veel voorbeelden te geven''. Bang is hij inderdaad niet. Breeduit vertelt hij allerhande aardige anekdotes. Om te illustreren dat de perversiteit van het fin-de-siècle vaak niet meer was dan ondeugendheid, noteert hij dat onder de redacteuren van het literaire tijdschrift Le Décadent weliswaar een anarchist was, maar ook een politieambtenaar. En toen een anarchist in 1900 in Frankrijk een mislukte aanslag op de sjah van Perzië pleegde, hield men de dader aanvankelijk voor een buitenlander, maar de man bleek een streektaal uit de Auvergne te spreken.

Weber is op zijn best wanneer hij het nieuwe van de periode beschrijft: de ontwikkeling van alpinisme en sporten als voetbal en rugby, van toerisme, colonies de vacances, en massapelgrimage naar Lourdes. Hij ziet zelfs een parallel tussen de opkomst van sport en de fin-de-siècle-kunst in zoverre beide de grenzen van de verkalkte negentiende-eeuwse samenleving verkenden. Ook de komst van auto en vliegtuig en vooral van la petite reine, de fiets die voor velen een revolutie betekende en vanaf 1903 de Tour de France mogelijk maakte, beschrijft hij met enthousiasme.

GEUZENNAAM

De conclusie die Weber uiteindelijk bereikt is niet opzienbarend: het fin-de-siècle is zo interessant ""omdat het niet bijzonder is''. Deze conclusie is weinig opzienbarend omdat ze besloten ligt in de aanpak die Weber heeft gekozen. "Fin-de-siècle' werd vanaf de jaren 1880 gebruikt als aanduiding van de ondergangsstemming binnen een kleine maatschappelijke elite en vervolgens als geuzennaam door een culturele avant-garde die de decadentiegevoelens cultiveerde. Het is op zichzelf goed te verdedigen voor de studie van de jaren tot de eeuwwisseling een breed cultuurconcept te kiezen en de gehele maatschappelijke ontwikkeling in de beschouwing te betrekken.

Men kan dan inderdaad tot de conclusie komen dat er naast de fin-de-siècle-gevoelens grote materiële vooruitgang voorkwam. Het heeft in dat geval echter geen zin meer van fin-de-siècle in enge zin te spreken; de benaming heeft immers geen betrekking op materiële verandering of sociale beweging maar op een cultuurstroming. Wie opmerkt dat de ondergangsstemming vooral de preoccupatie van een beperkte groep was die zich meestal weinig zorgen maakte over het dagelijks brood, loopt een open deur in.

Weber is vooral geboeid door verschijnselen van "modernisering', van vernieuwing in de maatschappij als geheel. Hij wil de ondergangsstemming niet ontkennen, maar wel relativeren en trekt dus de conclusie dat vernieuwing en verknochtheid aan het oude naast elkaar bestonden. Dat is vaak het geval en het fin-de-siècle is dus "niet bijzonder'.