Mauricio Kagel componeerde voor carillons van Amsterdam en Utrecht; Nu behoort de muziek toe aan de stad

AMSTERDAM, 5 JUNI. Carillons markeren het verstrijken van de tijd door vier keer per uur een korte melodie te spelen. Dat kan een oud koraalfragment zijn, een aria uit een Mozart-opera of zelfs de tune van de RTL4-soap Goede Tijden, Slechte Tijden zoals kortgeleden in Utrecht was te horen. Bij het Amsterdamse muziekcentrum De IJsbreker kwam men drie jaar geleden op het idee om de Duitse componist Mauricio Kagel te vragen een aantal van deze beiaardmuziekjes te schrijven voor de klokkespelen van de Oude Kerk in Amsterdam en de Utrechtse Domtoren. “Met dat vertrouwde, oer-Hollandse carillon willen we proberen eigentijdse muziek onder de aandacht van een groot publiek te brengen,” zegt iniatiefnemer Johan Kolsteeg.

Kagel toonde zich enthousiast over het plan. De eeuwenoude speeltrommel appelleerde niet alleen aan zijn voorliefde voor mechanisch voortgebrachte muziek, maar gaf hem ook de mogelijkheid heden en verleden door elkaar te mengen, iets dat essentieel is in zijn werk. Kagel: “Carillons zijn bijzondere muziekmachines. Ze bergen een technologie in zich die tegelijk voor-zondvloedachtig en heel modern is. Het via afstandsbediening in gang zetten van klokken grenst aan een poëtisch daad.”

Sinds gistermiddag klinken de acht "melodiesignalen' van Kagel over de Amsterdamse Wallen en het Domplein in Utrecht. De nieuwe noten voor de zeventiende-eeuwse beiaard in Amsterdam zijn door beiaardier Todd Fair van de Oude Kerk met pennen gestoken in een grote metalen trommel die elk uur een omwenteling maakt. Als bij een speeldoosje bewegen de pennen langs een hefboompje waaraan een draad is bevestigd die de klepel tegen de klok trekt.

Tijdens het versteken van de Melodien für Carillon, die in lengte variëren van zeven tot zestig seconden, ontdekte Fair dat Kagel niet altijd rekening had gehouden met de beperkingen van het trommelmechaniek. Zo zijn op sommige tonen geen snelle herhalingen mogelijk omdat de klok geen twee, maar slechts een klepel heeft. Het bleek ook niet eenvoudig om de tempi die Kagel voorschreef te realiseren. De trommels draaien niet helemaal regelmatig en in Amsterdam klonken de wijsjes naar Kagels oordeel veel te snel. Door een tandwiel in het aandrijfmechaniek te vervangen kon Fair de afspeelsnelheid met de helft vertragen.

De Utrechtse beiaard heeft een grotere toonomvang dan het Amsterdamse instrument en beschikt over twee zware, lage klokken waarvan Kagel dankbaar gebruik maakte. Daarbij is de Domtoren veel hoger dan de toren van de Oude Kerk zodat het geluid sneller verwaait en over grotere afstand hoorbaar is. Het karakter van de klokkemuziekjes verschilt dan ook in de twee steden. Voor Utrecht schreef Kagel clusterachtige akkoordformaties, de melodieën voor de Oude Kerk zijn daarentegen lichter en klinken ondanks hun chromatische karakter minder ongewoon.

Tijdens de première van de carillonmelodieën onlangs in Amsterdam (Dombeiaardier Arie Abbenes speelde de Utrechtse melodieën) was Kagel zichtbaar ingenomen met het resultaat. Als op het hele uur het langste melodiesignaal klinkt, loopt hij in gedachten verzonken langs de kerk. “Nu behoort de muziek toe aan de stad. Mijn stukjes zullen in de komende maanden vergroeien met de omgeving, zoals de Oude Kerk zelf.” De speeltrommel in Amsterdam stopt elke avond om elf uur, in Utrecht zijn de Kagels klokminiaturen dag en nacht te horen.