Kinderdromen inspireren geestig totaaltheater

Voorstelling: Voyeurs 2 door Huis aan de Amstel, vanaf acht jaar. Muziek: Barbara Woof, Klaas de Vries, Roel van Oosten, Rob Driessen en Martijn Padding; tekst: Roel Adam, Wiel Kusters en Sophie Kassies; regie: Liesbeth Coltof, Ad de Bont, Eva Bal, Allan Zipson en Flora Verbrugge; spelers: Ans Oudejans, Luc Frans, Peggy Schepens en anderen; musici: Delta Ensemble, o.l.v. Jurjen Hempel. Gezien: 4 juni, Felix Merites Amsterdam. Aldaar nog op 5, 6, 11 en 12 juni.

Wie een opwindende avond muziek- c.q. totaaltheater wil meemaken moet zich spoorslags met kinderen in soorten en maten naar Felix Merites begeven. Je zou daar ook iemand mee naar toe kunnen nemen die een indruk wil krijgen van wat er op dit moment aan moois, grappigs en interessants gaande is binnen het Nederlandse (en Vlaamse) jeugdtheater. Daarvan bieden vijf belangrijke regisseurs als het ware een staalkaart in produkties van ongeveer een kwartier, die gebaseerd zijn op composities van hedendaagse componisten. Deze lieten zich op hun beurt inspireren door kinderdromen.

De vijf stukken zijn uiteindelijk met elkaar verbonden tot een "verhaal' dat je Scènes uit een vrouwenleven zou kunnen noemen. Wat het publiek te zien krijgt heeft in vele opzichten de springerigheid, het associatieve, het schijnbaar onsamenhangende en ook het beangstigende van de dromen en nachtmerries. Voortdurend lichten er echter - net als op de ochtend na een droom - beelden en gevoelens op die onmiddellijk te duiden zijn. Een oude vrouw in een rolstoel vertelt over haar leven en vooral over haar dochter in het rode jurkje, met wie de verhouding niet altijd even harmonieus lijkt. We zien een babyroof in een cellokoffer, een klein meisje dat zich moet handhaven in de grote wereld, de liefde en de barensnood en uiteindelijk rolt een actrice in rode jurk de oude vrouw het toneel af en naar we aannemen het leven uit.

In het verloop van vijf kwartier is dan zoveel te zien en te horen geweest dat dat na één enkele onderdompeling onmogelijk systematisch te reproduceren is. Het kleine muziekensemble is opgesteld en uitgedost als een soort hofkapel. Soms zijn de muzikanten aangever van wat er gebeurt, soms luisteren ze naar een monoloog of gaan ze letterlijk meespelen, bij voorbeeld wanneer twee koperblazers als slechte feeën bij de wieg een gruwelijk lied spelen of wanneer een klarinet genoeg krijgt van de clowns en ze letterlijk de deur uitblaast. Af en toe begeleidt de muziek de acteurs enigszins op de achtergrond, maar in een sterk verhalend fragment volgen taal en beweging dan plotseling het ritme van de compositie.

Verrassend is het gebruik van de ruimte in de halfronde zaal. Op de balkonrand speelt zich een ijzingwekkend wankele achtervolgingsscène af en de vijf hoge raampartijen functioneren als een soort lijst. Daarbinnen worden kleine gebeurtenissen zichtbaar onder suggestieve belichting. Er loeren plotseling enge koppen vanachter die ramen en men ontsnapt erdoor aan het klassieke beddelaken.

Hoewel de voorstelling duidelijk als een geheel is te ervaren, blijven de verandering van regisseurshand en ook de "lasnaden' zichtbaar. En natuurlijk zijn er in het afwisselende landschap - hoe mooi en spannend het ook allemaal is voor oog en oor - pieken en dalen. Het hoogtepunt voor mij was het danskwartier, waarin twee boomlange heren op gevaarlijk hoge naaldhakken en in een glimmende jurk geperst de baas proberen te spelen over een lief klein meisje in haar ondergoed. Buitengewoon geestig en inventief smelten klanken en beweging daar samen tot een expressieve vorm van muziektheater voor alle leeftijden.