Jong

In een rugzak komt het arendsjong naar beneden. Het ziet er, eenmaal uitgepakt, niet erg koninklijk uit. Het ziet eruit als een wanstaltige pluizige kip. Maar dat kan hij niet helpen. Er is nog vrijwel niets wat hij kan helpen. Hij is pas vijftien dagen oud.

Hij voelt een beetje wollig aan en zo gedraagt hij zich ook, zo mak als een lammetje. Hij hijgt. Het hele lijf is in de ban van zijn gehijg.

Er worden metingen verricht aan vleugels, staart, snavel, poten en klauwen. Getallen worden afgelezen en genoteerd. Het dier wordt ingeschreven in de wereld van de mens. En ja, een andere wereld is er niet op dit moment.

De jonge vogel hijgt en je beseft dat hijgen alles is wat hij kan doen.

De jonge vogel hijgt en je beseft dat hij met geen mogelijkheid kan begrijpen wat hem overkomt.

Je beseft de medeplichtigheid van het toeschouwen.

De jonge vogel wordt uiteindelijk gewogen en geringd. Dan gaat hij weer de rugzak in, terug omhoog.

In het blauw boven het bos zeilen in de tussentijd de ouderarenden. Soms zie je ze even. Soms hoor je ze even. Ze slaken kreetjes met een piep, het piepje van een wasmachine aan het eind van het centrifugeren. Kolossale vogels. Kolossaal machteloze vogels.