In Griekenland hebben de Albanezen het gedaan

ATHENE, 5 JUNI. De oude Lázaros is dood. Metselaar in ruste, vervaardigde hij voor eigen plezier gedichten op mooie vrouwen die de toeristenwijk Plaka bezochten, waar hij woonde in een nederig behuizinkje. Daar wachtte hem op een middag een rover op die hem in zijn rug stak en al zijn geld meenam, 3.000 gulden. Dat gebeurde in de herfst, in de winter verouderde hij snel en hij heeft de zomer, waarin hij nieuwe gedichten zou schrijven, niet meer gehaald.

“Ik heb de dader niet gehoord, en ook eigenlijk nauwelijks gezien”, vertelde Lázaros mij. Maar dat weerhield twee Atheense kranten er niet van te schrijven dat het een Albanees was geweest. Hetzelfde deed zich voor nadat vorige week een meubelmaker was doodgestoken door twee mannen. “Alle Albanezen het land uit, zij slachten ons af in onze eigen huizen”, kopte de Eleftheros Typos.

De Albanezen hebben het gedaan, dat is duidelijk. In veel gevallen is dat ook zo. In andere gevallen zijn zij zelf het slachtoffer van Griekse geweldpleging, maar zoiets wordt voor de Griekse kranten bladvulling.

De pers schetst een uitzichtloze situatie, van 200.000 illegaal binnengekomen Albanezen die door het hele land rondschuimen en zich aan elke mogelijke vorm van criminaliteit te buiten gaan. Van tijd tot tijd worden bij "bezemacties' enkele duizenden over de grens gezet, maar iedereen weet dat ze terugkomen.

“Alle Albanezen het land uit” vormt behalve een onuitvoerbare ook een hypocriete leus. Als goedkope arbeidskrachten zijn zij namelijk een belangrijke rol gaan spelen in de Griekse economie. De meesten werken hard, zeer hard, en goed. Dat laatste kun je ook horen uit Griekse mond. “Ik heb maar een Albanees genomen, die Kostas kwam de ene dag wel en de andere dag niet op het werk”, hoorde ik een baas zeggen. Talloze Albanezen voldoen uitstekend - in de horeca, in de cultuur, en vooral in de bouw - hoewel natuurlijk hun werkomstandigheden verre van ideaal zijn.

Op een recente reis door de Peloponnesos zag ik in elke plaats Albanezen bouwen. Zelf "wonen' zij buiten de bebouwde kom, in schuren of garages, en hoewel je nog niet van apartheid kunt spreken, is er opvallend weinig contact met de Grieken. In de bussen gaan zij uit zichzelf achterin zitten. Je ziet ze overal (“ik kan ze ruiken”, hoor je ook al zeggen). Zij vormen een sociale onderlaag, maar in sommige districten is het tot schermutselingen gekomen met een groepering die deze functie al eerder verder vervulde: de zigeuners, ontstemd omdat de Albanezen zelfs nog onder hun lage prijzen werken.

Het gaat dan om de oogst van sinaasappelen en andere landbouwprodukten. Men ziet daar Polen, Griekse Pontiërs uit de voormalige Sovjet-Unie, Roemenen, zigeuners, Albanezen. Buiten de hoofdstad komt het nu ook geregeld tot conflicten tussen zigeuners enerzijds en Albanezen of Pontiërs anderzijds die zich daar later hebben gevestigd. De politie vertoont zich daar liever niet.

Die politie gaf ook blijk van grote onbetrokkenheid bij de recente onlusten in het grote dorp Erythres, die door een deel van de pers worden afgeschilderd als een eerste collectieve uiting van racisme in Griekenland. Erythres ligt in een van de vele streken waar sinds de veertiende eeuw Albanese nederzettingen zijn gesticht, en waar nog steeds, naast het Grieks, Albanees wordt gesproken. Deze "Arvanites', die ooit zelfs aan de voet van de Akropolis woonden in wat toen al Plaka heette (een Albanese term), beschouwen zich als meer dan honderd procent Grieks. Met de recente invasie van ongeregelde Alvani (Albanezen) willen zij officieel niets te maken hebben, ook al kunnen zij met hen praten.

Maar ook in dit dorp zijn de Alvani komen bivakkeren, op zoek naar werk en misschien ook buit. De dorpelingen vertellen dat zij 's avonds niet meer alleen buiten durven komen, dat uit de kerk koorbanken en ikonen zijn weggehaald die als brandhout moesten dienen in koude nachten. En dat meisjes zijn belaagd.

Menigeen heeft dan ook wel waardering voor wat vorige week is gebeurd. Een knokploeg besloot het werk van de passieve politie over te nemen. In de gemproviseerde verblijven waar de armoedzaaiers lagen te slapen, werd midden in de nacht alles kort en klein geslagen. Er werden een kaak en een voet gebroken. In het dorp werd het gerucht verspreid dat “de Albanezen onderling vochten”. Maar dat werd niet lang geloofd.

De enige die de volgende morgen door de politie werd gepakt was een van de Albanezen, die geen geldige papieren had. De bewoners betonen zich niet spraakzaam over wat er is gebeurd, maar hier en daar klinkt een oprecht inzicht door in wat er eigenlijk aan de hand is, en begrip voor de hypocrisie die ook bij deze furie mee speelt. “Sommigen in dit dorp laten de Albanezen werken voor een hongerdagloon, dertien tot achttien gulden. Maar die mensen zouden hen dan toch ook betere behuizing moeten aanbieden, en zoveel voedsel dat zij het niet hoeven te stelen.”

    • Frans van Hasselt