IN EEN DONKERE EN DOODLOPENDE STEEG; De fatale dilemma's van generaal Jaruzelski

Mein Leben für Polen. Erinnerungen door Wojciech Jaruzelski 391 blz., gell., Piper 1993, f 55,20 ISBN 3 492 03506 X

In de nacht van 12 op 13 december 1981 kondigde generaal Wojciech Jaruzelski, partijleider en premier, in Polen de staat van beleg af. Hij schakelde de vrije vakbond Solidariteit uit, liet duizenden aanhangers van de bond gevangen zetten en maakte aldus een eind aan het eerste belangrijke democratische experiment in Oost-Europa sinds de Praagse Lente van 1968, tevens - al kon niemand dat op dat moment weten - het laatste democratische experiment binnen het Oosteuropese socialisme tot de ineenstorting van het systeem in 1989.

Met die militaire staatsgreep werd Wojciech Jaruzelski in één klap de boeman van Polen, en dat zou hij lang blijven: de generaal met de donkere bril werd voor miljoenen Polen een Europese Pinochet, een zetbaas van Moskou, de man die de hoop had getorpedeerd. In het midden van de jaren tachtig kon de generaal steeds vaker en steeds intensiever toewerken naar een verzoening, hij kreeg die niet: tot in 1989 weigerden de Polen, beledigd en kwaad, hardnekkig zijn uitgestoken hand. Tot op de dag van vandaag is de generaal voor talrijke Polen een halve verrader - zo geen hele.

Zelfs zijn optreden na 1988 - hij was het die de stoot gaf tot de "ronde tafel', de dialoog met de oppositie die het hele democratiseringsproces in Oost-Europa een impuls gaf, die de belofte van de eerste "half-vrije' verkiezingen in Oost-Europa honoreerde, die Tadeusz Mazowiecki als eerste niet-communistische premier in Oost-Europa sinds veertig jaar installeerde, die als president loyaal meewerkte aan de ontmanteling van het socialisme en zonder morren aftrad toen de Polen lieten merken hem niet meer te zien zitten - dat alles heeft voor velen het beeld van de hele of halve verrader niet werkelijk gecorrigeerd. Niet voor niets wacht Jaruzelski nog een proces wegens zijn vermeende betrokkenheid bij de onderdrukking van de arbeidersonlusten van 1970.

De "Poolse coup' van december 1981 is door Jaruzelski's bewind indertijd - in bedekte termen - gerechtvaardigd als enig alternatief voor een "Sovjet-oplossing' van de crisis: een militaire invasie van de drie orthodoxe buurlanden, de Sovjet-Unie van Brezjnev, de DDR van Honecker en het Tsjechoslowakije van Husák. Hoe hard die dreiging was, kon ten tijde van het socialisme nooit erg duidelijk worden toegelicht: verder dan vage en onofficiële toespelingen kon men niet gaan.

IVOREN TOREN

Nu kan dat wel - een gelegenheid die Jaruzelski zelf in zijn onlangs als Mein Leben für Polen verschenen memoires aangrijpt. Hij omschrijft zichzelf in de aanloop tot de hoofdstukken over de gebeurtenissen in 1980 en 1981 in niet altijd even vleiende termen: een verlegen, contactschuwe generaal, al decennia ingekapseld in de ivoren toren van de top van de militaire establishment - een beetje wereldvreemd. Het bewind dat hij leidde was niet veel realistischer. Na het falen van partijleider Edward Gierek en diens val in 1980 meende het zich afdoende te hebben schoongewassen.

Toen Solidariteit in 1980 ontstond en binnen weken en maanden als een sneeuwbal door de communistische realiteit begon te rollen, vergisten Jaruzelski en zijn bewind zich grondig: zij zagen niet in welke symboliek er van de vrije vakbond uitging. Ze zagen niet in dat, zoals Jaruzelski schrijft, Solidariteit ""een mythe was waartegen niet te vechten viel'. Dat het regime de vrije vakbond ook nog eens anderhalf jaar lang blééf onderschatten - niet zozeer waar het de omvang, wel waar het de symbolische betekenis betreft - rekent Jaruzelski zichzelf zwaar aan: hij geeft ""met een zekere schaamte' toe, bij de beoordeling van Solidariteit uitsluitend te zijn afgegaan op de rapporten van zijn inlichtingendienst, die de bond alleen op zijn vermeend anti-socialistische karakter beoordeelde.

Aan de andere kant: Solidariteit was een Póóls fenomeen, en in de hele legale periode van de bond was er sprake van een dialoog, van een zekere mate van samenwerking tussen het bewind en de bond. Jaruzelski was niet goed genformeerd, maar hij was wel genformeerd genoeg om te weten dat met mensen als Lech Walesa te praten viel. Om die reden was de generaal al vanaf de zomer van 1980 hoogst gealarmeerd door de druk die de buurlanden, vooral de Sovjet-Unie, op Warschau uitoefenden. Daar concludeerde men al snel dat de vrije vakbond een regelrecht gevaar voor het Poolse socialisme en daarmee voor de politieke, economische en vooral militaire cohesie van het hele blok betekende.

Al in september 1980 werd in Moskou een aan Polen gewijde crisisstaf gevormd, door Jaruzelski spottend ""de Poolse club' genoemd. Tot die club behoorden niet de geringste Sovjet-leiders: Soeslov, Andropov, Gromyko, Tsjernenko, Oestinov en Roesakov, ""oude tempelhoeders' die, aldus Jaruzelski, in alles ""ketterij' zagen en die ""geen enkel begrip wilden en konden opbrengen' voor de uitleg die de kameraden in Warschau verschaften.

INTIMIDATIE

De ""Poolse club', aldus Jaruzelski, heeft nooit openlijk en direct met een Sovjet-interventie gedreigd. Maar indirect waren die dreigementen er wel, in de vorm van intimidatie en waarschuwingen. In december 1980 kwam het tot een eerste climax: Moskou eiste militaire manoeuvres op Pools grondgebied, de oefening Sojoez-80, die op 8 december moest beginnen. Poolse officieren kwamen al direct tot de conclusie dat de plannen zouden neerkomen op een ordinaire invasie.

Op 3 december weigerden premier Jaruzelski en de toenmalige partijleider, Kania, met Sojoez-80 in te stemmen. Ze eisten een onderhoud met Brezjnev, maar kregen het niet. De dag daarop vlogen ze naar Moskou voor een topconferentie van Oosteuropese leiders, waarbij hun vooral door de Russen, Honecker, Husák en Ceausescu de oren werd gewassen: ""We kregen een lesje.' De Hongaarse leider Kádár liet zich als enige wat gematigder uit, maar ""niemand toonde het geringste begrip voor ons'.

Uiteindelijk liet Brezjnev zich brommend en sputterend in en persoonlijk gesprek met Kania overhalen. ""No charasjo, ne rjadom' (Nou goed, we vallen niet binnen), gromde hij. Pas later kwamen Jaruzelski en Kania er achter dat Kádár de rest van de leiders al een dag eerder had overgehaald en dat het gesprek met de brommende Brezjnev alleen maar toneelspel was geweest.

De druk vanuit vooral Moskou bleef niettemin groot, vooral naarmate Solidariteit in 1981 radicaliseerde. Bovendien merkte Jaruzelski steeds duidelijker hoe de dogmatici in zijn eigen communistische partij in samenwerking met de KGB zijn op dialoog gerichte beleid ondergroeven. Russische leiders zetten hem voortdurend onder druk. De onaangenaamste: Andrej Gromyko, ""onverbiddelijk, doctrinair en nauwelijks gevoelig voor onze argumenten'. In augustus 1981 ""kon de druk nauwelijks nog sterker worden'.

In één instantie werd Jaruzelski min of meer ontvoerd op een manier die doet denken aan de wijze waarop Alexander Dubcek door de Russen voor overleg werd "ontboden': de Poolse leider werd in een toestel zonder herkenningstekens naar een onbekende bestemming in een onbekend land gebracht, waar uiteindelijk op een afgelegen en verlaten, door onkruid overwoekerd spoorwegemplacement een treinwagon stond met de Sovjet-gesprekspartners, KGB-chef Andropov en minister van defensie Oestinov.

De omgangsvormen in de schaduw van de "broederlijke solidariteit' waren niet altijd van jongensboekengeheimzinnigheid ontbloot. Brezjnev kon trouwens - ook al analoog aan Tsjechoslowakije 1968 - de kameraden in Warschau af en toe ook zachtjes aanraden ergens ""een geheim wapendepot van Solidariteit' te laten ontdekken.

ANARCHIE

De druk plaatste Jaruzelski voor een dilemma: ""Als Pool riep elke vorm van druk bij mij bitterheid, verontwaardiging en kritiek op onze begrensde soevereiniteit op.' Als soldaat echter begreep hij de bezorgdheid van Moskou: de dominotheorie was ""in het geheel geen uitvinding van de Amerikanen'. En: ""Als ik in die tijd een Sovjet-generaal was geweest had ik me zonder twijfel ook zo gedragen.'

Het was een ""dilemma met een bijna shakespeareaanse dimensie', aldus Jaruzelski: enerzijds leefden de Sovjet-leiders ""niet in een heelal van bedrieglijke denkbeelden', want Solidariteit was een reële bedreiging; anderzijds ""bestond er geen twijfel dat de Polen gelijk hadden: de jaren daarna zouden het bewijzen.'

Toen in de herfst van 1981 Solidariteit nog verder radicaliseerde, een golf van stakingen uitbrak en Polen een staat van anarchie naderde, terwijl aan de andere kant de dogmatici de druk opvoerden en Moskou opnieuw met manoeuvres dreigde en zelfs economische sancties tegen Polen uitvaardigde, werd Jaruzelski duidelijk dat hij ""met de voortekenen van een burgeroorlog' werd geconfronteerd en moest ingrijpen.

Dat hem dat pijn deed, verhult Jaruzelski in Mein Leben für Polen niet: zijn besluit maakte hem ""doodongelukkig'. ""Dat we het kritieke punt waren genaderd, brak me bijna het hart. [...] Sinds dagen en weken vroeg ik me af of ik dit moest doen. Ik beken dat ik meer dan eens mijn bureaula heb geopend en lang naar mijn revolver heb gekeken.' Jaruzelski zette niettemin door: de staat van beleg werd een feit. Later, veel later, zou hem blijken dat als hij niet op 13 december 1981 had ingegrepen, de Russen het inderdaad voor hem zouden hebben gedaan: er lagen plannen voor een Sovjet-invasie vanuit Wit-Rusland, die op 14 december 1981 had moeten beginnen.

VERZOENING

Mein Leben für Polen gaat over meer dan alleen de uitroeping van de staat van beleg, gevolgd door Jaruzelski's moeizame - en grotendeels mislukte - pogingen tot een verzoening en de val van het socialisme. Jaruzelski beschrijft zijn hele leven, niet, zoals hij aan het begin van het boek schrijt, in een historische context, maar ""als herinneringen, een handvol commentaren en opmerkingen'. Niettemin is die historische context er natuurlijk wel degelijk, want de in 1923 als telg van de lage adel geboren en tussen straatarme boeren opgegroeide Jaruzelski maakte aan den lijve de hele tragische geschiedenis van Polen vanaf de jaren dertig mee.

Na het begin van de oorlog vluchtten de Jaruzelski's de grens van het toen nog onafhankelijke Litouwen over, waar ze in 1941, na de Sovjet-annexatie, in Sovjet-handen vielen. Het gezin werd naar de Altai gedeporteerd, waar vader Jaruzelski aan de ontberingen bezweek; hij ligt er nog steeds begraven; later liet Gorbatsjov Jaruzelski een foto van het graf bezorgen. Wojciech zelf weigerde Sovjet-papieren te accepteren en werd zelfs gevangen gezet. Hij kwam vrij door zich aan te sluiten bij het in de Sovjet-Unie gevormde Poolse leger. Na de bevrijding van Polen maakte hij een bliksemcarrière: op zijn 33ste was hij Polens jongste generaal, op zijn 39ste onderminister van defensie, op zijn 42ste chef van de generale staf. Niet overal is hij overigens even open: over zijn rol in de strijd tegen de restanten van het anti-communistische Thuisleger en nationalistische Oekraëners in de late jaren veertig geeft hij niet veel prijs.

Hier en daar heeft het boek een apologetisch karakter. Niet waar het de staat van beleg betreft: nog altijd is Jaruzelski ervan overtuigd indertijd ""het kleinste kwaad' te hebben gekozen: ""Ik ben ervan overtuigd, er was geen andere mogelijkheid'. Maar spijt is er wel: ""Als ik mijn landgenoten nu om vergiffenis vraag, dan in verband met het onrecht dat de staat van beleg vele tienduizenden heeft aangedaan.'.

Hij geeft ook toe zich een aantal keren grondig te hebben vergist. Zo bleek hem pas in 1988 en 1989 dat de oppositie, die hij in 1981 massaal had laten opsluiten, heel wat minder monsterlijk en destructief was dan hij altijd had gedacht - ""een verrassing'. Hij prijst vooral Tadeusz Mazowiecki en zijn ""absolute morele integriteit', alsmede zijn twee meest radicale tegenstanders: Jacek Kuron en Adam Michnik, twee kopstukken van de oppositie die hij zelf vijftien jaar lang als verpersoonlijkte symbolen van het ideologische gevaar had beschouwd. Michnik, noemt hij ""de briljantste stotteraar ter wereld [...] in wie ik niet alleen het "menselijk gezicht van de oppositie' ontdekte, maar in wie ik ook een gesprekspartner heb gevonden waarmee het goed was, lange en verhitte discussies te voeren.' (Michnik van zijn kant beschrijft in het aan het eind van het boek afgedrukte gesprek met Jaruzelski de generaal als een man die hij ""als weinig anderen veracht en gevreesd heeft'.)

Het is niet de enige vergissing of fout die Jaruzelski in zijn boek toegeeft: er zijn er vele. De ""paranode' hardnekkigheid, waarmee hij in de jaren vijftig afwijkende meningen binnen de militaire media vervolgde is er een; de weigering, in de jaren zestig geschriften van dissidenten te lezen, maar wel te ijveren voor hun opsluiting: hij constateert dat nu ""met grote schaamte'; zijn passiviteit tijdens de antisemitische uitwassen van 1968, die ""een dof gevoel van schaamte en schande achterlaat'; zijn geloof in de strookjes die hij bij de onderdrukking van de Praagse Lente in 1968 op de mouw kreeg gespeld; zijn irreële geloof in de eigen kracht bij de halfvrije verkiezingen van 1989: ""Wat een blindheid! 45 jaar aan de macht hadden ons beroofd van elk objectief oordeel over onszelf, hadden ons afgesneden van elk contact met de realiteit.'

VERKEERDE PAARD

In een van de zeer weinige interviews die hij na 1989 heeft gegeven, heeft Jaruzelski de val van het socialisme eens als zijn grootste persoonlijke tragedie omschreven. In zijn boek herhaalt hij dat niet met zoveel woorden. Maar dat hij ""niet op het verkeerde paard heeft gewed' door communist te worden, houdt hij wel staande. Pilsudski, schrijft hij, moet ooit hebben gezegd: ""Ik ben bij de halte Onafhankelijkheid uit de rode tram gestapt.' Jaruzelski: ""Zonder arrogantie zou ik willen zeggen: ik heb die tram bij de halte Pluralisme niet verlaten.'

""Ons model is bankroet verklaard, onze idealen worden door het slijk gehaald en in de vuilnisbak van de geschiedenis gegooid', aldus Jaruzelski. Maar sociale rechtvaardigheid blijft zin hebben en dat hij zijn hele leven op het verkeerde paard heeft gewed wil er bij Jaruzelski niet in: ""Ik verberg de verbittering niet die elke persoonlijke nederlaag begeleidt, ik heb meer dan ooit spijt van de vergissingen die ik heb begaan en die hadden kunnen worden vermeden. Maar ik geloof niet mijn leven te hebben verspild.'

Het communisme, waarin hij geloofde, mag een ""utopie' zijn geweest. Het leed aan een ""oerzonde': ""Het socialisme ontstond noch in Tibet, noch aan de Amazone. Het was het werk van verlichte geesten in West-Europa, het ontstond aan de Rijn en in Parijs, in Genève en Londen. Maar in zijn staatkundige vorm kwam het ter wereld als een kind met een ongeneeslijke ziekte: in een land dat sinds eeuwen geen rechtssysteem had gekend, tussen armzalige mensen die niet konden lezen en schrijven en niets hadden. Bij de eerste poging verwierp het beproefde democratische tradities. Dat was zijn oerzonde, zijn genetische zwakte en de oorzaak van zijn falen.' Het socialisme in de vorm die nu ten onder is gegaan, is dan ook volgens Jaruzelski ""eerder een van die cyclische drama's van de geschiedenis dan een donkere doodlopende straat.'

Mein Leben für Polen is het boek van een oprecht en integer man, en is bovendien spannend en lucide geschreven. Het werpt in veel opzichten nieuw licht op zowel de ontwikkelingen van de afgelopen dertig jaar in Polen als op de man die daar sinds vooral 1980 zo'n belangrijke rol in heeft gespeeld. Een man die door zijn landgenoten een decennium lang is gevreesd, gehaat en veracht als een symbool van de vazallenstatus van Polen, een symbool ook van gebrek aan Pools patriottisme. Dat juist dat laatste niet klopte, maakt Jaruzelski duidelijk in méér dan de titel van zijn boek alleen. De indruk, dat de Polen in de cruciale periode 1980-1989 met een man als Jaruzelski eigenlijk bijzonder hebben geboft, wordt in dit boek alleen maar bevestigd.

Pagina Z1 en Z2

    • Peter Michielsen