In drie jaar tijd van supersportnatie tot ontwikkelingsland

Het Oostduitse sportsysteem was net een aardappelsorteermachine. Alle Oostduitsers werden erin gegooid en uiteindelijk bleven de beste sporters over. Maar het was wel een superieure machine. Sinds de Duitse eenwording is die machine kapot.

In de Elbehal in Magdeburg, "het zwembad van de grootste DDR-successen' meldt een plakkaat in de vitrine, hebben ze de springtoren moeten afsluiten wegens instortingsgevaar. En in de kleedhokjes en de toiletten stinkt het al zolang Dagmar Hase, olympische kampioene op de 400 meter vrije slag in Barcelona, zich kan heugen. In de ijshal van Chemnitz, waar schaatsballerina's als Gaby Seifert en Annet Pötsch en Katarina Witt nog hun pirouettes hebben gedraaid, liggen de betonnen brokstukken op de tribune. En op het kilometers verderop gelegen sportcomplex Ernst Thälmann, dat ook niet meer Ernst Thälmann mag heten omdat die nazi-slachtoffer tenslotte communist was, bladdert de verf van de turnhal en kun je door de kieren de trampoline zien.

Sport in Oost-Duitsland is in staat van verval. Van de 5000 topsporters die het andere Duitsland bij zijn instorting telde, zijn er drie jaar na de eenwording nog ruim 1500 over. De allerbesten werden weggezogen door de D-mark. Ruim 600 DDR-kampioenen vonden hun weg naar het westen, zo blijkt uit een lijst van Neues Deutschland, het vroegere partij-orgaan van de SED. In sommige sporten, zoals in volleybal, in worstelen, hebben "die neue Bundesländer' geen topsporters meer.

De kaalslag in de schoolsport en de jeugdsport, van oudsher de voedingsbodem voor de Oostduitse sportsuccessen, is nog veel groter. De atletiekbond van Saksen, één van de vijf nieuwe bondslanden, zag het ledental na de Duitse hereniging teruglopen van bijna 200.000 naar 31.000 en daarna nog eens naar 7.000. Andere sportbonden verging het niet beter. Meer dan de helft van de Oostduitse sportverenigingen heeft het loodje gelegd.

Van het enorme apparaat dat de sport in Oost-Duitsland begeleidde, zijn alleen nog wat wieltjes en radertjes over. Negentig procent van de 35.000 trainers, sportfunctionarissen, sportwetenschappers, sportbegeleiders heeft zijn baan verloren. En van de 4.000 overblijvers hebben er 1.200 een contract in het kader van werkverschaffende maatregelen. Die voorziening loopt eind dit jaar af.

Het befaamde en beruchte bolwerk van wetenschappelijke sportbegeleiding in de DDR, de Deutsche Hochschule für Körperkultur in Leipzig, is vakkundig ontmanteld. Weliswaar is ze uit de as herrezen als faculteit voor Sportwetenschap in oprichting. Maar driekwart van het momumentale sportinstituut aan de Jahn-Allee staat ongebruikt. Het personeelsbestand is van 1050 naar 90 mensen gekelderd. Voor onderzoek, laat staan voor ondersteuning van sportclubs, hebben de laatste negen professoren geen tijd.

Weg topsporters, weg talent, weg kader, weg wetenschappelijke begeleiding. En de sportaccommodaties gaan diezelfde weg. Volgens een onderzoek van de Deutsche Sportbund (DSB) verkeert maar 11 procent van de Oostduitse sportcomplexen in aanvaardbare staat. Datzelfde geldt voor 17 procent van de overdekte zwembaden en voor 8 procent van de overdekte zwembaden. Voor sanering is de komende vijftien jaar bijna 25 miljard D-mark nodig, heeft de DSB becijferd: 11,1 miljard voor renovatie, 13,7 miljard voor nieuwbouw. Maar Bonn heeft nog geen pfennig beschikbaar gesteld. Intussen storten stadions in, andere worden uit voorzorg gesloten, weer andere vallen in handen van projectontwikkelaars.

Geen van die vertegenwoordigers van het Oostduitse sportmirakel betreurt de ineenstorting van het politieke systeem. Niet Jutta Müller, trainster van zoveel kunstschaatskampioenen. Niet prof.dr. Karl-Heinz Bauersfeld, de vermaarde trainingsmethodoloog. Niet Bernd Henneberg, cheftrainer zwemmen bij de SC Magdeburg. Niet Jürgen Holz, sportredacteur bij Neues Deutschland. Maar allemaal spreken ze met weemoed over het sportsysteem, sommigen met een pijn en een woede die maar nauwelijks onder de oppervlakte blijven. Dan hebben ze het over de successen en over de systematische aanpak en over de broederschap.

Is het Oostduitse sportsysteem uit elkaar gevallen bij gebrek aan politieke onderbouw? Of is het systeem misschien doelgericht vernietigd? In Oost-Duitsland houden ze het op een combinatie van die twee. “Er is in elk geval weinig moeite gedaan om de goede elementen te behouden”, zegt Bernd-Uwe Hildebrandt, bedrijfsleider van het Olympiasteunpunt Magdeburg/Halle. Hij trekt een vergelijking met de wapenindustrie. “Het gebruik van wapens is verkeerd. Maar daarom kan de produktie nog wel voorbeeldig georganiseerd zijn. Daarom kunnen de wapens nog wel van uitzonderlijke kwaliteit zijn. Ons sportsysteem was goed. Alleen het politiek gebruik was verachtelijk.”

Nooit in de geschiedenis heeft een sportsysteem kunnen bogen op eclatanter succes. Een landje met 17 miljoen mensen, net iets meer dan Nederland, ging de concurrentie aan met grootmachten als de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten. In de landenrangschikking bij Olympische Spelen eindigde Oost-Duitsland vanaf 1972 altijd op een tweede of een eerste plaats. Wereldkampioenschappen in het roeien, het zwemmen, werden stelselmatig door de DDR gedomineerd.

Maar over die successen hing ook altijd een waas van bedrog. Dat kon toch niet, dat zo'n pruisisch pokkenlandje het superieure westen met eerlijke middelen op de knieën dwong. En er deden verhalen de ronde over kadaverdiscipline en over kindermishandeling, over mensonwaardige praktijken die nu eenmaal pasten bij dat verderfelijke DDR-systeem. Om over het gebruik van doping maar te zwijgen. Want zwemmers lagen meer aan het infuus dan in het zwembad. En die Oostduitse kogelstootsters, dat waren toch geen vrouwen meer?

In de periode 1970-1989 werden anderhalf keer zoveel Westduitsers betrapt op dopinggebruik als Oostduitsers. Maar paradoxaal versterkte dat alleen maar het dopingimago van socialistisch Duitsland. Want dat betekende dus dat de DDR het verst was gevorderd in het maskeren van doping. Elke Oostduitser die door de dopingcontrole kwam werd zo een bewijs van de corruptie van het Oostduitse sportsysteem.

De mensen die het altijd al hadden geweten, werden na "die Wende' op hun wenken benieuwd. Er volgde een stroom van publikaties over hoe de alomtegenwoordige Staatssicherheitsdienst ook de sport had bezoedeld, over hoe voetballers in de kleedkamer hun medespelers bespioneerden, over hoe trainers de politieke misstappen van hun pupillen rapporteerden. Daarna kwamen de onthullingen over wijdverbreid dopinggebruik, over systematisch dopingonderzoek, over sporters die waren gebruikt als proefkonijnen. Onthullingen die hun hoogtepunt vonden in het boek van Brigitte Berendonk: "Doping Dokumente. Von der Forschung zum Betrug'.

Het Oostduitse sportsysteem was door en door verloederd en verziekt, dat was de teneur van die verhalen. En de Oostduitse sportsuccessen waren op terreur en misdaad gebouwd. Oostduitse trainers en Oostduitse wetenschappers konden maar beter worden gemeden. Ze waren besmet. Ze hadden hun handen bevuild.

Twee weken geleden werd er in Berlijn een bijeenkomst gehouden voor alle Oost- en Westduitse sporters die 25 jaar geleden bij de Olympische Spelen in Mexico een medaille hadden gewonnen. Bij die gelegenheid zei de voormalige zwemkampioen Roland Matthes dat hij er ziek van werd om zich voortdurende tegen beschuldigingen over dopinggebruik te moeten verdedigen. Hij noemde het “weerzinwekkend dat DDR-sporters zich steeds weer moeten rechtvaardigen voor hun successen”. “Wij zijn gebrandmerkt.” Een oproep van de voorzitter van het Duits olympisch comité om bij te dragen aan de opbouw van de sport in het verenigde Duitsland deed hij af als “zwendel”. “Ik ben in het westen van Duitsland alleen maar afwijzing en desinteresse gestuit.”

Daarmee verwoordde Matthes de pijn van de verongelijkten. Mensen die jaren van hun leven aan de sport in Oost-Duitsland hebben gegeven voelen zich onrecht aangedaan. Waarom moeten ze zich plotseling schamen voor hun successen? “Waarom hebben ze onze trainers de Davidster opgespeld?”, vraagt Hildebrandt, de bedrijfsleider van het Olympia-steunpunt Magdeburg/Halle, zich af. “Omdat alles wat uit het oosten komt slecht is”, weet Henneberg, de trainer van Dagmar Hase, verbitterd. Zegt ook Jutta Müller. Vindt ook Hannes Büchner, vice-president van de atletiekbond Saksen. Jürgen Holz, de redacteur van Neues Deutschland, spreekt van “een bezettersmentaliteit”.

Dat de Oostduitse sporttriomfen het resultaat waren van systematisch en grootschalig dopinggebruik, “is een lachertje”, zegt prof. dr. Bauersfeld, die volgens het dopingboek van Berendonk als atletiektrainer zelf nooit zuinig met anabole steroden was. Met zo'n eenzijdige voorstelling van zaken wordt de kracht en de consequentheid van het sportsysteem geen recht gedaan, meent ook prof. dr. Helmut Kirchgässner, de enige Oostduitser die deel uitmaakte van de commissie-Reiter. De commissie die na de eenwording tot de slotsom kwam dat het gebruik van versterkende middelen in de Oostduitse sport wijdverbreid was. “De sport gedijde in Oost-Duitsland omdat de condities optimaal waren”, zegt de hoogleraar uit Leipzig. “Niet omdat er doping werd gebruikt.”

Die visie wordt gesteund door een buitenstaander als Jan Verstuyft, arts bij het Belgisch Olympisch Comité. Volgens Verstuyft waren de Oostduitse sportsuccessen in de eerste plaats te danken aan een bewuste politieke keuze: topsport had de hoogste prioriteit. Zonder terughoudendheid werden daarvoor middelen en mankracht vrij gemaakt. Verder wijst hij op de planmatigheid, de consequentheid, de professionaliteit van het sportsysteem. Op de systematische aanpak van talentopsporing en ontwikkeling. Op de gedegen, massieve sportmedische en wetenschappelijke ondersteuning.

Wat de Japanners deden in de elektronica, deden de Oostduitsers in de sport. Aan de grondstof "mens' was gebrek, dus was het de kunst om het potentiële talent optimaal te benutten. Geen mens mocht gemorst.

Prof. dr. Bauersfeld vergelijkt het Oostduitse sportsysteem met een aardappelsorteermachine. Alle Oostduitsers werden daarin gegooid, en uiteindelijk bleven de meest veelbelovende jonge sporters over. Zij kregen alle zorg, alle aandacht, alle begeleiding die nodig was om uit te groeien tot de wereldtop.

Alle kinderen werden op de kleuterschool en lagere school "gesichtet', zoals dat heette: gezeefd, gesorteerd, op aanleg beoordeeld. Daarbij werd gekeken naar lichaamsbouw, ook van de ouders, naar motorische begaafdheid, naar wilskracht en standvastigheid. De meest getalenteerden mochten komen sporten in één van de vele trainingscentrum, waar onder hooggekwalificeerde leiding hun fysieke grenzen werden opgerekt. Via de Spartakiade, een pyramidevormig systeem van lokale, regionale en nationale competitie, scherpten ze hun vechtlust en wedstrijdmoraal.

En de crême de la crême van dit keurcorps kon aantreden op één van de 25 Kinder- und Jugendsportschule, waar haar leven in dienst van de sport kwam te staan. Voor de allerbesten, de meest succesvollen was het systeem meer dan edelmoedig. Zij konden rekenen op de meest hoogwaardige begeleiding, op een degelijke schoolopleiding die over grenzeloos veel jaren mocht worden uitgesmeerd, op een gegarandeerde studie- of arbeidsplaats. En natuurlijk op aanzien en status. Maar degenen die toch net iets tekort kwamen voor de wereldtop, zij werden tussentijds discreet geloosd. Voor hen was het systeem genadeloos.

Zoals in de Japanse elektronica-industrie onderzoekers en ontwikkelaars en werkvoorbereiders en arbeiders en stafmensen en verkopers eendrachtig samenwerken op voet van gelijkheid, zo gebeurde dat ook in de Oostduitse sportindustrie. De aanmaak van topsporters was een langdurig, samenhangend, goedgeolied, continue proces. En zoals het Japanse bedrijfsleven nauwelijks kan bogen op baanbrekend fundamenteel onderzoek, richtte ook de Oostduitse sportwetenschap zich liever op toepassingen in de praktijk. Niks geen onderzoek om het onderzoek. Een wetenschappelijke inspanning had pas nut als een sporter daarmee zijn prestaties verbeteren kon.

Als de Oostduitse economie net zo efficiënt georganiseerd was geweest als de sport, bestond de DDR nog altijd. Maar de economie is in elkaar geklapt en de Oostduitse sport is meegesleept. Ruim drie jaar na de Duitse eenwording is de voormalige sportsupermacht een sportontwikkelingsland.

Wie de Duitse medailleoogst van Barcelona bekijkt, kan zeggen dat het met die teloorgang nog wel mee valt. Het verenigde Duitsland haalde 92 medailles, tien minder dan de DDR in Seoul, veertig minder dan in 1988 de twee Duitslanden samen. Ruim zestig procent van dat eremetaal kwam van sporters uit het voormalige Oostduitsland, ook al wonen de meesten daar niet meer.

Maar deze laatsten van de kampioenen uit het Oosten, zij vormen “de sportieve erfenis van de DDR”, zegt zwemtrainer Henneberg. En die erfenis raakt uitgeput. Want kampioenen ontstaan niet, je moet ze maken. En dan moet planmatig gebeuren, en daarvoor je bij de jeugd beginnen. In Magdeburg wordt nog geprobeerd om die opbouw en samenhang in stand te houden. Met kunst- en vliegwerk. “Maar in grote delen van Oostduitsland is de topsport dood.”

“De Duitse eenwording is in heel veel opzichten een hereniging geworden van gemiste kansen”, vindt sportredacteur Jürgen Holz. “Waarom heeft het verenigd Duitsland niet geprofiteerd van het sociale erfgoed dat de DDR toch ook te bieden had.” En prof. dr. Kirchgässner: “Waarom zitten we nu opgescheept met het Westduitse concept van een sportsysteem, dat nooit erg effectief is geweest.” Karl-Heinz Tischer, 32 jaar zwemtrainer, inmiddels vervroegd met pensioen, vindt de westerse aanpak een misdaad tegen de sporters. “Bij ons was sport een wetenschap. Ze hebben er een loterij van gemaakt.”